KOM: kwantitatieve onderzoeksmethode
Inleiding
Kennis:
- Dagelijkse kennis (autoriteit, ervaringen, traditie, verstand en media)
➢ Inspiratie voor analyse van bepaalde problemen
- Sociaalwetenschappelijke kennis
- Doel van onderzoek:
➢ Kennisopbouw = fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
➢ Sociale actie
➢ Beleidsvoorbereidend
Drie methoden:
1. Kwantitatief
➢ Systematische manier van onderzoek met behulp van cijfermatig meetbare grootheden
➢ Testen van hypothesen, statistisch/wiskundige modellen, meetinstrumenten, ...
➢ Experimenten en surveys
2. Kwalitatief
➢ Interpretatief, veelheid methoden, natuurlijke context en processen van betekenisgeving
3. Mixed method
➢ Combinatie van kwantitatief en kwalitatief met breder doel
De onderzoekscyclus
Wetenschapsfilosofie
Epistemologie (leer van kennis) ontologie (leer van eigenheid van dingen)
Einstein = voorwaarts voorspellingen maken (theorieën) → wetenschap
Freud = achterwaartse voorspellingen (verklaringen) → pseudowetenschap (-Popper)
Wetenschappelijke methode:
- Traditioneel (logisch) positivisme = observatie zonder vooroordeel (enkel met zintuigen)
➢ Inductief redeneren
➢ Deductief (hypotheses) afleiden
➢ Alles niet waarneembaar = pseudowetenschap
- Kritiek Popper: kritische rationalisme
➢ Observeren ≠ zonder vooroordelen/veronderstellingen (interesses, kennis, ...)
➢ Waarnemingen ≠ universele wet → inductie = mythe
➢ Theorie = falsifieerbaarheid (proberen ontkrachten) + toetsbaar
➢ Wetenschappelijke kennis = gecumuleerde kennis → voortbouwend en gecorrigeerd
Wetenschapsmodellen en de sociale wetenschappen
Kaders in boek = voorbeelden onderzoeksmodellen omtrent armoede
P27: overzicht tabel
- Onderzoeksparadigma’s
,Emile Durkheim: naturalisme/positivisme sociologie
Sociale wetenschappen = natuurlijke wetenschappen
Sociale feiten ~ natuurlijke feiten
• Extern + wetmatig en dwingend + objectief
• Afhankelijke = onder invloed van onafhankelijke
Observeren en meten
• Rechtstreeks naar betrouwbare indicatoren
Wat? = kwantitatief
Max Weber: verstehende/hermeneutische sociologie
Anti-naturalisme: mensen ≠ voorspelbaar → andere onderzoeksmethode
Betekenis zoeken (beweegredenen en intenties)
Waarom? = kwalitatief
Karl Marx: maatschappijkritisch/emancipatoire wetenschap
Wetenschap = meer dan beschrijven
Vatten van sociale feiten in hun bredere samenhang
Activistische: emancipatie + verminderen van ongelijkheid
8 basispremissen: relaties, waarden en ideologieën, taal, privileges, ervaringen, ...
Stromingen in het hedendaags sociologisch onderzoek
1. Post-positivisme
➢ Oorsprong in post-positivisme (objectief + waarnemingen + universeel)
➢ Karl Popper: falsificationisme
➢ Hypothese = verhoging van plausibiliteit ≠ absolute zekerheid
➢ Dominant
2. Interpretatief paradigma (constructivisme)
➢ Kritiek op post-positivisme (kennis = belang + normatief → niet iedereen zelfde regels)
➢ Vertrekken vanuit interactionisme van Blumer
o Betekenissen in sociale interactie → interpretatief proces
➢ = Sociale, culturele of historische conventies structureren perceptie en kennis
➢ Kennis = geïnterpreteerde kennis ≠ objectieve realiteit (betekenis door mens)
➢ Voortdurende verandering / replicatie (normal → model drift/crisis/revolution → change)
3. Kritische theorie
➢ Voortbouwen op Marx (verwerping economische aspect)
➢ Mix kwantitatief en kwalitatief
➢ Verhouding cultuur en kapitalisme + verhouding kennis en macht
➢ Analyse: media, massamedia en structuren
,Onderzoeksmethodologie
1e indeling in sociaalwetenschappelijk onderzoek
Denkkader Dominante Methode Technieken Cyclus
Post-positivisme Kwantitatief Experiment Deductief:
Survey - Hypothese uit theorie
- Concept naar instrument
- Statistische analyse
- Verwerping/aanvaarding
Pragmatisme Mixed Combinatie: op domein van
- Dataverzameling
- Analyse
- Integratie van besluiten
Constructivisme Kwalitatief Interviews Inductief:
Focusgroepen - Nieuwe theorie uit gegevens
- Intens en langdurig contact
- Bewustzijn onderzoeker
2 indeling in sociaalwetenschappelijk onderzoek → doel van het onderzoek
e
- Praktijkgericht = beleidsgericht
➢ Evaluatieonderzoek = evaluatie bestaand beleid
o Diagnose bestaande toestand
o Metingen tijdens een interventie
o Effecten van interventie in kaart brengen
➢ Actieonderzoek = gelijkend op evaluatie + emancipatie
o Combinatie onderzoek en sociale actie
o Iets terug geven aan betrokkenen
- Theoriegericht = fundamenteel onderzoek
➢ 3 rollen: beschrijven, exploreren en verklaren (+ voorspellen)
Rol van theorie in sociaalwetenschappelijk onderzoek
Twee soorten theorieën:
1. Theorie van theoretici
➢ Doel = geheel begrijpen en te ordenen
2. Theorie van onderzoekers
➢ Doel = hypothesen afleiden en toetsen (ontstaan uit empirisch onderzoek)
Eigenschappen theorie:
1. Logisch geheel van concepten (gestructureerde samenhang)
➢ Concepten = definities van fenomenen
➢ Keuze uit relevante concepten → relatie = verhalend en verklarend
➢ Theoretische concepten = operationaliseren naar meetbare concepten
2. Empirisch toetsbaar – falsifieerbaar
➢ Elke theorie = omzetbaar in toetsbare hypothesen
➢ Hypothese = welke test tot welk resultaat (ALS-DAN)
➢ Hypotheses:
o Uit literatuur
o Duidelijkheid op wie de toepassing is
o Antwoord op onderzoeksvraag
o Empirisch toetsbaar
o Toetsbaar formuleerbaar
o Bevat directionaliteit van het verband
, 3. Algemeen en particulier overstijgbaar
➢ Overstijgen van dagdagelijkse kennis (en nieuws)
➢ Verklarings- of voorspellingskarakter bieden
➢ Gradaties/aard (laag naar hoog):
o Ad hoc classificatiesysteem (Samenvattend kader → losse klassen)
o Taxonomie (Samenhangend overzicht)
o Conceptuele schema’s (systematische werkelijkheid)
o Theoretisch systeem (abstracte, conceptuele schema’s)
o Empirisch-theoretisch systeem (ideaal type theorie)
➢ Reikwijdte
o Grand theory (allesomvattende verklaring van samenleving + hoog abstractie)
o Structureel functionalisme (Talcott Parson) → alle aspecten voor stabiliteit)
o Middle range theory (specifieke sociale verschijnselen → concreet)
o Substantieve theorie (verklaringen binnen bepaald deeldomein)
o Formele theorie (algemene mechanismen binnen fenomenen)
Omkering van empiricisme → niet enkel vanuit observaties en ervaringen
Theorie en empirie
Relatie theorie en realiteit:
Drie benaderingen
- Inductie (bijzondere → algemene)
➢ Dataverzameling → analyse → implicaties → theorie
o Observaties → 1e veralgemening
o Nieuwe observaties → verfijning
o Theoretische saturatie (geen nieuwe data + alles uitgewerkt + relaties duidelijk)
➢ Nieuwe theorie ontwikkelen → plausibel (wetenschappelijkheid?)
➢ Kwalitatief
- Deductie (algemene → bijzondere)
➢ Theorie → conceptuele proposities → hypotheses (test) → dataverzameling
o Beschrijven concepten + operationalisering
o Data verzamelen en analyseren
o Testen
➢ Logica: premissen (vooronderstelling) = waar en volledig
➢ Kwantitatief
Inleiding
Kennis:
- Dagelijkse kennis (autoriteit, ervaringen, traditie, verstand en media)
➢ Inspiratie voor analyse van bepaalde problemen
- Sociaalwetenschappelijke kennis
- Doel van onderzoek:
➢ Kennisopbouw = fundamenteel wetenschappelijk onderzoek
➢ Sociale actie
➢ Beleidsvoorbereidend
Drie methoden:
1. Kwantitatief
➢ Systematische manier van onderzoek met behulp van cijfermatig meetbare grootheden
➢ Testen van hypothesen, statistisch/wiskundige modellen, meetinstrumenten, ...
➢ Experimenten en surveys
2. Kwalitatief
➢ Interpretatief, veelheid methoden, natuurlijke context en processen van betekenisgeving
3. Mixed method
➢ Combinatie van kwantitatief en kwalitatief met breder doel
De onderzoekscyclus
Wetenschapsfilosofie
Epistemologie (leer van kennis) ontologie (leer van eigenheid van dingen)
Einstein = voorwaarts voorspellingen maken (theorieën) → wetenschap
Freud = achterwaartse voorspellingen (verklaringen) → pseudowetenschap (-Popper)
Wetenschappelijke methode:
- Traditioneel (logisch) positivisme = observatie zonder vooroordeel (enkel met zintuigen)
➢ Inductief redeneren
➢ Deductief (hypotheses) afleiden
➢ Alles niet waarneembaar = pseudowetenschap
- Kritiek Popper: kritische rationalisme
➢ Observeren ≠ zonder vooroordelen/veronderstellingen (interesses, kennis, ...)
➢ Waarnemingen ≠ universele wet → inductie = mythe
➢ Theorie = falsifieerbaarheid (proberen ontkrachten) + toetsbaar
➢ Wetenschappelijke kennis = gecumuleerde kennis → voortbouwend en gecorrigeerd
Wetenschapsmodellen en de sociale wetenschappen
Kaders in boek = voorbeelden onderzoeksmodellen omtrent armoede
P27: overzicht tabel
- Onderzoeksparadigma’s
,Emile Durkheim: naturalisme/positivisme sociologie
Sociale wetenschappen = natuurlijke wetenschappen
Sociale feiten ~ natuurlijke feiten
• Extern + wetmatig en dwingend + objectief
• Afhankelijke = onder invloed van onafhankelijke
Observeren en meten
• Rechtstreeks naar betrouwbare indicatoren
Wat? = kwantitatief
Max Weber: verstehende/hermeneutische sociologie
Anti-naturalisme: mensen ≠ voorspelbaar → andere onderzoeksmethode
Betekenis zoeken (beweegredenen en intenties)
Waarom? = kwalitatief
Karl Marx: maatschappijkritisch/emancipatoire wetenschap
Wetenschap = meer dan beschrijven
Vatten van sociale feiten in hun bredere samenhang
Activistische: emancipatie + verminderen van ongelijkheid
8 basispremissen: relaties, waarden en ideologieën, taal, privileges, ervaringen, ...
Stromingen in het hedendaags sociologisch onderzoek
1. Post-positivisme
➢ Oorsprong in post-positivisme (objectief + waarnemingen + universeel)
➢ Karl Popper: falsificationisme
➢ Hypothese = verhoging van plausibiliteit ≠ absolute zekerheid
➢ Dominant
2. Interpretatief paradigma (constructivisme)
➢ Kritiek op post-positivisme (kennis = belang + normatief → niet iedereen zelfde regels)
➢ Vertrekken vanuit interactionisme van Blumer
o Betekenissen in sociale interactie → interpretatief proces
➢ = Sociale, culturele of historische conventies structureren perceptie en kennis
➢ Kennis = geïnterpreteerde kennis ≠ objectieve realiteit (betekenis door mens)
➢ Voortdurende verandering / replicatie (normal → model drift/crisis/revolution → change)
3. Kritische theorie
➢ Voortbouwen op Marx (verwerping economische aspect)
➢ Mix kwantitatief en kwalitatief
➢ Verhouding cultuur en kapitalisme + verhouding kennis en macht
➢ Analyse: media, massamedia en structuren
,Onderzoeksmethodologie
1e indeling in sociaalwetenschappelijk onderzoek
Denkkader Dominante Methode Technieken Cyclus
Post-positivisme Kwantitatief Experiment Deductief:
Survey - Hypothese uit theorie
- Concept naar instrument
- Statistische analyse
- Verwerping/aanvaarding
Pragmatisme Mixed Combinatie: op domein van
- Dataverzameling
- Analyse
- Integratie van besluiten
Constructivisme Kwalitatief Interviews Inductief:
Focusgroepen - Nieuwe theorie uit gegevens
- Intens en langdurig contact
- Bewustzijn onderzoeker
2 indeling in sociaalwetenschappelijk onderzoek → doel van het onderzoek
e
- Praktijkgericht = beleidsgericht
➢ Evaluatieonderzoek = evaluatie bestaand beleid
o Diagnose bestaande toestand
o Metingen tijdens een interventie
o Effecten van interventie in kaart brengen
➢ Actieonderzoek = gelijkend op evaluatie + emancipatie
o Combinatie onderzoek en sociale actie
o Iets terug geven aan betrokkenen
- Theoriegericht = fundamenteel onderzoek
➢ 3 rollen: beschrijven, exploreren en verklaren (+ voorspellen)
Rol van theorie in sociaalwetenschappelijk onderzoek
Twee soorten theorieën:
1. Theorie van theoretici
➢ Doel = geheel begrijpen en te ordenen
2. Theorie van onderzoekers
➢ Doel = hypothesen afleiden en toetsen (ontstaan uit empirisch onderzoek)
Eigenschappen theorie:
1. Logisch geheel van concepten (gestructureerde samenhang)
➢ Concepten = definities van fenomenen
➢ Keuze uit relevante concepten → relatie = verhalend en verklarend
➢ Theoretische concepten = operationaliseren naar meetbare concepten
2. Empirisch toetsbaar – falsifieerbaar
➢ Elke theorie = omzetbaar in toetsbare hypothesen
➢ Hypothese = welke test tot welk resultaat (ALS-DAN)
➢ Hypotheses:
o Uit literatuur
o Duidelijkheid op wie de toepassing is
o Antwoord op onderzoeksvraag
o Empirisch toetsbaar
o Toetsbaar formuleerbaar
o Bevat directionaliteit van het verband
, 3. Algemeen en particulier overstijgbaar
➢ Overstijgen van dagdagelijkse kennis (en nieuws)
➢ Verklarings- of voorspellingskarakter bieden
➢ Gradaties/aard (laag naar hoog):
o Ad hoc classificatiesysteem (Samenvattend kader → losse klassen)
o Taxonomie (Samenhangend overzicht)
o Conceptuele schema’s (systematische werkelijkheid)
o Theoretisch systeem (abstracte, conceptuele schema’s)
o Empirisch-theoretisch systeem (ideaal type theorie)
➢ Reikwijdte
o Grand theory (allesomvattende verklaring van samenleving + hoog abstractie)
o Structureel functionalisme (Talcott Parson) → alle aspecten voor stabiliteit)
o Middle range theory (specifieke sociale verschijnselen → concreet)
o Substantieve theorie (verklaringen binnen bepaald deeldomein)
o Formele theorie (algemene mechanismen binnen fenomenen)
Omkering van empiricisme → niet enkel vanuit observaties en ervaringen
Theorie en empirie
Relatie theorie en realiteit:
Drie benaderingen
- Inductie (bijzondere → algemene)
➢ Dataverzameling → analyse → implicaties → theorie
o Observaties → 1e veralgemening
o Nieuwe observaties → verfijning
o Theoretische saturatie (geen nieuwe data + alles uitgewerkt + relaties duidelijk)
➢ Nieuwe theorie ontwikkelen → plausibel (wetenschappelijkheid?)
➢ Kwalitatief
- Deductie (algemene → bijzondere)
➢ Theorie → conceptuele proposities → hypotheses (test) → dataverzameling
o Beschrijven concepten + operationalisering
o Data verzamelen en analyseren
o Testen
➢ Logica: premissen (vooronderstelling) = waar en volledig
➢ Kwantitatief