NEDERLANDS
Formuleerfouten – VWO – Nieuw Nederlands
, §1: Dubbelop
Er bestaan verschillende manieren om iets dubbelop te benoemen. Dit zijn de vijf
belangrijkste:
1. Onjuiste herhaling: een voorzetsel wordt ten onrechte twee keer gebruikt.
Voorbeeld: Naast Lisa wil ik tijdens het eten graag naast zitten.
2. Tautologie: je zegt twee keer hetzelfde door middel van een synoniem.
Voorbeeld: Maar het is echter heel belangrijk dat je goed leert.
3. Pleonasme: een deel van de betekenis van het woord wordt extra uitgedrukt.
Voorbeeld: Moet je van tevoren een tafel reserveren in dat restaurant?
à Reserveren doe je altijd van tevoren.
4. Contaminatie: twee woorden worden ten onrechte gemengd tot een nieuw woord
Voorbeeld: Overnieuw = opnieuw + overdoen
Nachecken = nakijken + checken
Uitprinten = printen + uitdraaien
5. Dubbele ontkenning: twee ontkenningen in één zin.
Voorbeeld: Ik heb nooit geen last van tijdnood bij toetsen.
§2: Fouten met verwijswoorden
1. Onjuist verwijswoord: wanneer gebruik je de of het?
De:
1. Het woord is biologisch mannelijk (vb: stier)
2. Het woord is biologisch vrouwelijk (vb: koe)
3. Groepen (vb: klas)
4. Het woord heeft een vrouwelijke uitgang (-heid, -ing, -schap, -de, -ij, -theek, -uur, -nis,
-st, -te, -ie, -iek, -teit)
Het:
1. Het woord heeft biologisch geen geslacht (vb: woord)
2. Die of dat & deze of dit?
Die en deze worden gebruikt bij de-woorden. Die wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen
wat ver weg is en deze wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen wat dichtbij is.
Voorbeeld: Die stoel, deze stoel.
Dat en dit worden gebruikt bij het-woorden. Dat wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen
wat ver weg is en dit wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen wat dichtbij is.
Voorbeeld: Dit konijn, dat konijn.
3. Hen of hun?
Formuleerfouten – VWO – Nieuw Nederlands
, §1: Dubbelop
Er bestaan verschillende manieren om iets dubbelop te benoemen. Dit zijn de vijf
belangrijkste:
1. Onjuiste herhaling: een voorzetsel wordt ten onrechte twee keer gebruikt.
Voorbeeld: Naast Lisa wil ik tijdens het eten graag naast zitten.
2. Tautologie: je zegt twee keer hetzelfde door middel van een synoniem.
Voorbeeld: Maar het is echter heel belangrijk dat je goed leert.
3. Pleonasme: een deel van de betekenis van het woord wordt extra uitgedrukt.
Voorbeeld: Moet je van tevoren een tafel reserveren in dat restaurant?
à Reserveren doe je altijd van tevoren.
4. Contaminatie: twee woorden worden ten onrechte gemengd tot een nieuw woord
Voorbeeld: Overnieuw = opnieuw + overdoen
Nachecken = nakijken + checken
Uitprinten = printen + uitdraaien
5. Dubbele ontkenning: twee ontkenningen in één zin.
Voorbeeld: Ik heb nooit geen last van tijdnood bij toetsen.
§2: Fouten met verwijswoorden
1. Onjuist verwijswoord: wanneer gebruik je de of het?
De:
1. Het woord is biologisch mannelijk (vb: stier)
2. Het woord is biologisch vrouwelijk (vb: koe)
3. Groepen (vb: klas)
4. Het woord heeft een vrouwelijke uitgang (-heid, -ing, -schap, -de, -ij, -theek, -uur, -nis,
-st, -te, -ie, -iek, -teit)
Het:
1. Het woord heeft biologisch geen geslacht (vb: woord)
2. Die of dat & deze of dit?
Die en deze worden gebruikt bij de-woorden. Die wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen
wat ver weg is en deze wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen wat dichtbij is.
Voorbeeld: Die stoel, deze stoel.
Dat en dit worden gebruikt bij het-woorden. Dat wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen
wat ver weg is en dit wordt vooral gebruikt om iets aan te wijzen wat dichtbij is.
Voorbeeld: Dit konijn, dat konijn.
3. Hen of hun?