(Werkwoord)spelling – VWO – Nieuw Nederlands
, §1 Persoonsvorm
1. Tegenwoordige tijd: enkelvoud
Ik à ik-vorm (NIET stam)
Voorbeeld: helpen à ik help
lopen à ik loop
Jij/zij/hij/het/namen/etc. à ik-vorm + t
Voorbeeld: helpen à jij helpt
lopen à hij loopt
2. Tegenwoordige tijd: meervoud
Voor het meervoud in de tegenwoordige tijd gebruiken we altijd de infinitief (hele
werkwoord).
Voorbeeld: helpen à wij helpen
lopen à jullie lopen
3. Verleden tijd: zwakke werkwoorden
De vervoeging van zwakke werkwoorden gaat altijd met behulp van tex-fokschaap (was
kofschip). Het vervoegen van een zwak werkwoord gaat zo:
1. Neem de stam van het werkwoord (NIET de ik-vorm).
2. Eindigt de stam op een medeklinker die ook in tex-fokschaap zit?
3. Nee? à uitgang is -de/-den
Ja? à uitgang is -te/-ten
Voorbeeld: stappen à stam = stap à p zit in tex-fokschaap à uitgang is -te of -ten.
Wanneer de stam eindigt op -t, wordt de uitgang -tte/-tten.
Voorbeeld: starten à stam = start à eindigt op -t à startte/startten.
Wanneer de stam eindigt op -d, wordt de uitgang -dde/-dden.
Voorbeeld: wedden à stam = wed à eindigt op -d à wedde/wedden.
Importwoorden (leenwoorden) gaan ook met behulp van tex-foxschaap.
4. Verleden tijd: sterke werkwoorden
Bij de vervoeging van sterke werkwoorden verandert de klank van het woord. Er is geen regel
die je hiervoor kunt gebruiken, de vervoeging van deze woorden moet je uit je hoofd leren.
§2 Overige werkwoordsvormen
1. Infinitief = hele werkwoord