Overige wetenschappen 2.1
WC1 Innovatie
Bijdrage aan competenties:
De hbo-verpleegkundige kan een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de kwaliteit.
Rol van ontwerper, domeinspecificatie ‘Kwaliteitszorg’ Pool e.a. (2001)
Daarnaast kunnen de studenten zich door het uitvoeren van een verbeterproject
ontwikkelen in hun rol van regisseur en coach.
Doorbreek de rituelen
Veel verpleegkundige en verzorgende interventies zijn ontstaan vanuit ervaring en tradities,
steeds meer handelingen inmiddels ook wetenschappelijk onderbouwd.
Deze ‘evidence-based’ handelingen worden echter niet altijd toegepast.
Redenen:
o resultaten van onderzoek bereiken de praktijk van de verpleegkundigen en
verzorgenden onvoldoende
o men is te zeer gewend is geraakt aan bepaalde handelingen waardoor het rituelen
zijn geworden: algemeen aanvaarde routinematige handelingen die niet
onderbouwd zijn met wetenschappelijke inzichten maar gebaseerd zijn op gewoonte
en traditie.
o Zinloze rituelen: algemeen aanvaarde routinematige handelingen die ontkracht
kunnen worden op basis van wetenschappelijke inzichten
Verbetertraject en implementatie
Kern: Kwaliteit van zorg
Actualiteit: berichten over situaties waarin de zorg niet optimaal is.
Naast gesignaleerde problemen kan ook het beschikbaar komen van nieuwe
wetenschappelijke inzichten leiden tot de implementatie van een zorgvernieuwing
Vernieuwing: De nieuwe werkwijze, organisatievorm of technologie die men in de praktijk wil
invoeren
Innovatie: Vernieuwing of verandering (van bewezen waarde) die leidt tot verbetering
Voorbeelden: richtlijn, werkwijze, techniek, instrument, best practice
Implementatie: Een procesmatige en planmatige invoering van vernieuwingen en/of verbeteringen
Aanpak van innovatietrajecten
Verschillende modellen en visies
Succesvolle innovaties zijn beperkt
Belangrijkste probleem: koppelen van de inzichten van de initiatiefnemers met de inzichten,
belangen, overtuigingen, opvattingen van alle betrokkenen.
,Stappen in veranderingsprocessen
Model Grol & Wersing
Veranderen op 3 niveau’s
1. Het niveau van de omgeving
2. Het niveau van de organisatie
3. Het niveau van doelgroepen en subdoelgroepen
Omgeving
De omgeving, de omstandigheden zijn bepalend voor ons voortbestaan
Verandering is een reactie op deze “omstandigheden”
Proactief of reactief
De vraag is: wat doen we?
Externe analyse
Trends in de omgeving die voor de organisatie kansen of bedreigingen vormen, en die niet
door de organisatie zelf beïnvloed kunnen worden.
, onderscheid: contextuele omgeving en transactionele omgeving
2 onderdelen
Omgevingsanalyse: hierbij worden aspecten als demografie, maatschappelijke issues,
culturele en sociale aspecten, economie, technologie en politiek/wetgeving/ juridische
aspecten geanalyseerd. Ezelsbruggetje hierbij:
DESTEP: demografische, ecologische, sociale, technologische, economische en politieke
ontwikkelingen.
Stakeholdersanalyse: hierbij worden de concurrenten, toeleveranciers (van producten maar
ook van cliënten middels diverse verwijzers), klanten en eventueel andere belanghebbenden
geanalyseerd.
Organisatie
Wat weet je over de plek waar de verandering plaats vindt? De afdeling, de instelling, het team?
Interne analyse
Kader voor de analyse van te onderscheiden aspecten van de organisatie zelf
ESH model
Kenmerk Evenwicht
o Ieder element is even belangrijk.
Kenmerk Samenhang
o Iedere verandering in één van de elementen zal altijd een verandering, hoe klein ook,
in de andere vijf elementen tot gevolg zal hebben.
Kenmerk Heterogeniteit
o Diverse, heterogene aspecten:
formele, en informele aspecten
meetbare en niet-meetbare verschijnselen
interne en extern bepaalde facetten van de zes elementen.
Variabelen interne analyse
Strategie: De manier waarop (en het geheel van de middelen waarmee) vooraf gestelde
doelen nagestreefd worden.
Managementstijl: De kenmerkende gedragspatronen van het management (op elk niveau).
Personeel: Karakteristieken en vaardigheden van de medewerkers.
Cultuur: De kenmerkende gedragspatronen van het management (op elk niveau).
Structuur: De taak-, verantwoordelijkheids- en bevoegdheidsverdeling.
Systemen: Regels en procedures waarmee het dagelijks functioneren (= realisatie) gestuurd
wordt.
Niveau van doelgroepen en subgroepen daarbinnen
Wie zijn betrokken bij het veranderingsproces?
Op wie heeft de verandering invloed?
Bevorderende en belemmerende factoren:
Context (omgeving)
Organisatie
Betrokken doelgroepen en subdoelgroepen
WC1 Innovatie
Bijdrage aan competenties:
De hbo-verpleegkundige kan een belangrijke rol spelen bij het verbeteren van de kwaliteit.
Rol van ontwerper, domeinspecificatie ‘Kwaliteitszorg’ Pool e.a. (2001)
Daarnaast kunnen de studenten zich door het uitvoeren van een verbeterproject
ontwikkelen in hun rol van regisseur en coach.
Doorbreek de rituelen
Veel verpleegkundige en verzorgende interventies zijn ontstaan vanuit ervaring en tradities,
steeds meer handelingen inmiddels ook wetenschappelijk onderbouwd.
Deze ‘evidence-based’ handelingen worden echter niet altijd toegepast.
Redenen:
o resultaten van onderzoek bereiken de praktijk van de verpleegkundigen en
verzorgenden onvoldoende
o men is te zeer gewend is geraakt aan bepaalde handelingen waardoor het rituelen
zijn geworden: algemeen aanvaarde routinematige handelingen die niet
onderbouwd zijn met wetenschappelijke inzichten maar gebaseerd zijn op gewoonte
en traditie.
o Zinloze rituelen: algemeen aanvaarde routinematige handelingen die ontkracht
kunnen worden op basis van wetenschappelijke inzichten
Verbetertraject en implementatie
Kern: Kwaliteit van zorg
Actualiteit: berichten over situaties waarin de zorg niet optimaal is.
Naast gesignaleerde problemen kan ook het beschikbaar komen van nieuwe
wetenschappelijke inzichten leiden tot de implementatie van een zorgvernieuwing
Vernieuwing: De nieuwe werkwijze, organisatievorm of technologie die men in de praktijk wil
invoeren
Innovatie: Vernieuwing of verandering (van bewezen waarde) die leidt tot verbetering
Voorbeelden: richtlijn, werkwijze, techniek, instrument, best practice
Implementatie: Een procesmatige en planmatige invoering van vernieuwingen en/of verbeteringen
Aanpak van innovatietrajecten
Verschillende modellen en visies
Succesvolle innovaties zijn beperkt
Belangrijkste probleem: koppelen van de inzichten van de initiatiefnemers met de inzichten,
belangen, overtuigingen, opvattingen van alle betrokkenen.
,Stappen in veranderingsprocessen
Model Grol & Wersing
Veranderen op 3 niveau’s
1. Het niveau van de omgeving
2. Het niveau van de organisatie
3. Het niveau van doelgroepen en subdoelgroepen
Omgeving
De omgeving, de omstandigheden zijn bepalend voor ons voortbestaan
Verandering is een reactie op deze “omstandigheden”
Proactief of reactief
De vraag is: wat doen we?
Externe analyse
Trends in de omgeving die voor de organisatie kansen of bedreigingen vormen, en die niet
door de organisatie zelf beïnvloed kunnen worden.
, onderscheid: contextuele omgeving en transactionele omgeving
2 onderdelen
Omgevingsanalyse: hierbij worden aspecten als demografie, maatschappelijke issues,
culturele en sociale aspecten, economie, technologie en politiek/wetgeving/ juridische
aspecten geanalyseerd. Ezelsbruggetje hierbij:
DESTEP: demografische, ecologische, sociale, technologische, economische en politieke
ontwikkelingen.
Stakeholdersanalyse: hierbij worden de concurrenten, toeleveranciers (van producten maar
ook van cliënten middels diverse verwijzers), klanten en eventueel andere belanghebbenden
geanalyseerd.
Organisatie
Wat weet je over de plek waar de verandering plaats vindt? De afdeling, de instelling, het team?
Interne analyse
Kader voor de analyse van te onderscheiden aspecten van de organisatie zelf
ESH model
Kenmerk Evenwicht
o Ieder element is even belangrijk.
Kenmerk Samenhang
o Iedere verandering in één van de elementen zal altijd een verandering, hoe klein ook,
in de andere vijf elementen tot gevolg zal hebben.
Kenmerk Heterogeniteit
o Diverse, heterogene aspecten:
formele, en informele aspecten
meetbare en niet-meetbare verschijnselen
interne en extern bepaalde facetten van de zes elementen.
Variabelen interne analyse
Strategie: De manier waarop (en het geheel van de middelen waarmee) vooraf gestelde
doelen nagestreefd worden.
Managementstijl: De kenmerkende gedragspatronen van het management (op elk niveau).
Personeel: Karakteristieken en vaardigheden van de medewerkers.
Cultuur: De kenmerkende gedragspatronen van het management (op elk niveau).
Structuur: De taak-, verantwoordelijkheids- en bevoegdheidsverdeling.
Systemen: Regels en procedures waarmee het dagelijks functioneren (= realisatie) gestuurd
wordt.
Niveau van doelgroepen en subgroepen daarbinnen
Wie zijn betrokken bij het veranderingsproces?
Op wie heeft de verandering invloed?
Bevorderende en belemmerende factoren:
Context (omgeving)
Organisatie
Betrokken doelgroepen en subdoelgroepen