H1 Cel- en Weefselleer
1. Kern competen-es
2. Inleiding tot anatomie en fysiologie
2.1 Begrippen
2.1.1 Anatomie
• = de bouw van het lichaam
• Onderscheid:
o Macroscopische anatomie: kenmerken met blote oog zichtbaar
o Microscopische anatomie: structuren niet met blote oog
à Onderverdeeld in specialisa;es:
o Cytologie = celleer
o Histologie = weefselleer
2.1.2 Fysiologie
• = func;es van het lichaam
2.2 Verschillende niveaus van cel tot organisme
• Celniveau
= kleinst levende eenheid in het lichaam
• Weefselniveau
= bestaat uit cellen van eenzelfde type die samenwerken om een specifieke func;e uit te
voeren
• Orgaanniveau
= Een orgaan bestaat uit 2 of meer verschillende weefsels die samenwerken om een
specifieke func;e uit te voeren
• Orgaanstelsel
= de organen werken samen
o Ademhalingsstelsel
o Beenderstelsel
o Hart- en bloedvatenstelsel
o Hormonaal stelsel
o Huid
o Lymfestelsel
o Spijsverteringsstelsel
o Uitscheidingsstelsel
o Voortplan;ngsstelsel
o Zenuwstelsel
• Organisme
o Alle orgaanstelsels moeten in onderlinge samenhang func;oneren
, 2.3 Homeostase
• = het op peil houden van voedingsstoffen en afvalstoffen in de cellen via het interne milieu
• Doel:
o Zorgen voor een perfect evenwicht
o Intern milieu van de mens moet constant blijven
à zo kunnen alle processen in het lichaam op;maal verlopen
• Factoren die constant moeten blijven:
o Suikergehalte van het bloed
o pH
o Osmo;sche waarde van lichaamsvloeistoffen
o Zuurstofgehalte
o Lichaamstemperatuur
• Omstandigheden in het externe milieu wisselen voortdurend
o Er zijn regelsystemen en terugkoppelingen nodig om de omstandigheden min of meer
stabiel te houden
à nega;eve terugkoppeling
à posi;eve terugkoppeling
2.3.1 Nega4eve terugkoppeling
• = Gaat afwijkingen tegenover de normale waarde tegen
• Sensor/ receptor neemt veranderingen waar in het interne milieu (lichaamstemperatuur
hoger dan 37°C)
à Wordt doorgegeven aan het controlecentrum van de hersenen (bv warmtecentrum in
de hersenen)
à Controlecentrum verwerkt deze info en vergelijkt ze met een bepaalde waarde (bv
normale lichaamstemperatuur)
à Als de bepaalde waarde is overschreden dan kunnen ze de effectoren aan het werk
zeYen (bv zweetklieren in de huid en uitzeYen van bloedvaten)
à Sensor/ receptor neemt veranderingen waar. Als situa;e waar normaal is wordt het
doorgegeven aan het controlecentrum
à Effectoren worden uitgezet
Resultaat: het interne milieu blij\ binnen de grenzen van de normale waarde stabiel
2.3.2 Posi4eve terugkoppeling
• De aanvankelijke prikkel brengt een reac;e teweeg
à prikkel wordt versterkt
• Bv bloedstolling, uitdrijven van een bevalling
,2.4 Anatomische terminologie
Algemene anatomische omschrijvingen:
• Mediaal = middellijn
• Lateraal = aan de zijkant, links of rechts van het midden
• Mediaan = dicht bij het midden
• Dorsaal of posterior = rugzijde/ achterkant
• Ventraal of anterior = buikzijde/ voorkant
• Craniaal of superior = rich;ng hoofd/ naar boven
• Caudaal of inferior = rich;ng voeten/ naar onder
• Intern = naar binnen gelegen
• Extern = naar buiten gelegen
• Sinister = links
• Dexter = rechts
• Centraal = nabij of betrekkelijk dicht bij de binnenkant van het lichaam
• Perifeer = nabij of betrekkelijk dicht bij de buitenkant van het lichaam
• Proximaal = dicht bij de romp
• Distaal = verder weg van de romp
Anatomische omschrijvingen van lichaamsgebieden:
• Cranium = schedel = craniaal
• Cephalon = hoofd = cephaal
• Facies = gezicht = faciaal
• Nasus = neus = nasaal
• Os = mond = oraal
• Cervix = hals/ nek = cervicaal
• Thorax = borstkas = thoracaal
• Axilla = oksel = axillair
• Brachium = bovenarm brachiaal
• Manus = hand = manueel
• Abdomen = buik abdominaal
• Pelvis = bekken
, • Inguina = lies = inguinaal
• Pubis = schaamstreek
• Femur = dijbeen/ bovenbeen = femoraal
2.5 Lijnen en vlakken van het lichaam
• Frontaal vlak = doorsnee verdeeld het lichaam in ventraal en dorsaal
• Transversaal vlak = in superior en inferior
• SagiYaal vlak = in linker en rechter zijde
1. Kern competen-es
2. Inleiding tot anatomie en fysiologie
2.1 Begrippen
2.1.1 Anatomie
• = de bouw van het lichaam
• Onderscheid:
o Macroscopische anatomie: kenmerken met blote oog zichtbaar
o Microscopische anatomie: structuren niet met blote oog
à Onderverdeeld in specialisa;es:
o Cytologie = celleer
o Histologie = weefselleer
2.1.2 Fysiologie
• = func;es van het lichaam
2.2 Verschillende niveaus van cel tot organisme
• Celniveau
= kleinst levende eenheid in het lichaam
• Weefselniveau
= bestaat uit cellen van eenzelfde type die samenwerken om een specifieke func;e uit te
voeren
• Orgaanniveau
= Een orgaan bestaat uit 2 of meer verschillende weefsels die samenwerken om een
specifieke func;e uit te voeren
• Orgaanstelsel
= de organen werken samen
o Ademhalingsstelsel
o Beenderstelsel
o Hart- en bloedvatenstelsel
o Hormonaal stelsel
o Huid
o Lymfestelsel
o Spijsverteringsstelsel
o Uitscheidingsstelsel
o Voortplan;ngsstelsel
o Zenuwstelsel
• Organisme
o Alle orgaanstelsels moeten in onderlinge samenhang func;oneren
, 2.3 Homeostase
• = het op peil houden van voedingsstoffen en afvalstoffen in de cellen via het interne milieu
• Doel:
o Zorgen voor een perfect evenwicht
o Intern milieu van de mens moet constant blijven
à zo kunnen alle processen in het lichaam op;maal verlopen
• Factoren die constant moeten blijven:
o Suikergehalte van het bloed
o pH
o Osmo;sche waarde van lichaamsvloeistoffen
o Zuurstofgehalte
o Lichaamstemperatuur
• Omstandigheden in het externe milieu wisselen voortdurend
o Er zijn regelsystemen en terugkoppelingen nodig om de omstandigheden min of meer
stabiel te houden
à nega;eve terugkoppeling
à posi;eve terugkoppeling
2.3.1 Nega4eve terugkoppeling
• = Gaat afwijkingen tegenover de normale waarde tegen
• Sensor/ receptor neemt veranderingen waar in het interne milieu (lichaamstemperatuur
hoger dan 37°C)
à Wordt doorgegeven aan het controlecentrum van de hersenen (bv warmtecentrum in
de hersenen)
à Controlecentrum verwerkt deze info en vergelijkt ze met een bepaalde waarde (bv
normale lichaamstemperatuur)
à Als de bepaalde waarde is overschreden dan kunnen ze de effectoren aan het werk
zeYen (bv zweetklieren in de huid en uitzeYen van bloedvaten)
à Sensor/ receptor neemt veranderingen waar. Als situa;e waar normaal is wordt het
doorgegeven aan het controlecentrum
à Effectoren worden uitgezet
Resultaat: het interne milieu blij\ binnen de grenzen van de normale waarde stabiel
2.3.2 Posi4eve terugkoppeling
• De aanvankelijke prikkel brengt een reac;e teweeg
à prikkel wordt versterkt
• Bv bloedstolling, uitdrijven van een bevalling
,2.4 Anatomische terminologie
Algemene anatomische omschrijvingen:
• Mediaal = middellijn
• Lateraal = aan de zijkant, links of rechts van het midden
• Mediaan = dicht bij het midden
• Dorsaal of posterior = rugzijde/ achterkant
• Ventraal of anterior = buikzijde/ voorkant
• Craniaal of superior = rich;ng hoofd/ naar boven
• Caudaal of inferior = rich;ng voeten/ naar onder
• Intern = naar binnen gelegen
• Extern = naar buiten gelegen
• Sinister = links
• Dexter = rechts
• Centraal = nabij of betrekkelijk dicht bij de binnenkant van het lichaam
• Perifeer = nabij of betrekkelijk dicht bij de buitenkant van het lichaam
• Proximaal = dicht bij de romp
• Distaal = verder weg van de romp
Anatomische omschrijvingen van lichaamsgebieden:
• Cranium = schedel = craniaal
• Cephalon = hoofd = cephaal
• Facies = gezicht = faciaal
• Nasus = neus = nasaal
• Os = mond = oraal
• Cervix = hals/ nek = cervicaal
• Thorax = borstkas = thoracaal
• Axilla = oksel = axillair
• Brachium = bovenarm brachiaal
• Manus = hand = manueel
• Abdomen = buik abdominaal
• Pelvis = bekken
, • Inguina = lies = inguinaal
• Pubis = schaamstreek
• Femur = dijbeen/ bovenbeen = femoraal
2.5 Lijnen en vlakken van het lichaam
• Frontaal vlak = doorsnee verdeeld het lichaam in ventraal en dorsaal
• Transversaal vlak = in superior en inferior
• SagiYaal vlak = in linker en rechter zijde