Klasse I is belangrijk voor endogene antigenen en klasse II voor exogene antigenen. Deze
exogene antigenen worden later beladen.
Klasse I
Eiwitten die gemaakt worden gaan naar het proteasoom en worden
gekliefd en getransporteerd naar lumen van ER m.b.v. TAP. Het wordt in
peptidebindingsgroeve van MHCI gezet en dit gaat naar het
plasmamembraan waar het herkend kan worden door CTL. Proteasoom is
een soort tunnel met regulatoire ingang waar ontvouwen eiwitten
doorheen geleid worden en aan de binnenkant geknipt worden in kleine
peptides. Dus in de binnenkant van de tunnel zit de enzymatische activiteit.
De samenstelling van het proteosoom kan veranderen in afhankelijkheid
van interferon-gamma (uitgestoten door Th of NK cellen). Het verandert de
knip-specificiteit waardoor er perfecte peptides geproduceerd worden.
TAP is een ATP-afhankelijke transporter, dus energie
insteken om het peptide over het membraan heen te krijgen.
De belading van MHC klasse I vindt plaats in lumen van ER.
Hier wordt de zware keten van MHCI gestabiliseerd met β2-
microglobuline en andere chaperone eiwitten. Het β2-
microglobuline met MHC klasse I molecuul bindt aan
Tapasin en dit bindt aan TAP. Hierdoor komt het peptide uit
TAP dichtbij het MHC molecuul, waarna het β2
microglobuline loslaat en het peptide kan binden aan MHCI.
Als het gebonden heeft dan kan het stabiele MHC uit het ER
door het Golgi naar plasmamembraan.
Effect: MHCI kan in de immunologische synapsen herkend worden (wordt m.b.v.
microtubuli erheen getransporteerd) door CTL en deze scheidt de cytolytische stoffen
uit zoals perforines en granzymen. Nog een andere manier om te doden: via cel-cel
receptor contact met Fas/Fas-ligand. Het uiteindelijke doel: apoptose inductie.
Het microtubulus-organiserende centrum wat normaal richting de celkern is, is in de
CTL richting de synapsen, voor heel gericht transport die kant op. Daardoor komen alle
granules die gevuld zijn met perforines en granzymen op de plek terecht waar ze de cel
kunnen doden. Het wordt heel gericht gedaan. Binnen één dag kan een CTL 5 x doden.
De transportroutes zijn heel kort omdat dit centrum dichtbij het ER, golgi en
plasmamembraan ligt.
Hoe kunnen virussen MHC-I presentatie voorkómen?
- Blok IFN-gamma, afhankelijk van proteasome functie (VZV)
- Blok transport via TAP (HSV)
- Dislocatie van MHCI zware keten, van ER naar cytosol afbraak (CMV)
- Blok transport ER plasmamembraan (VZV, Adeno)
1