Hoofdstuk 5: Kerken
De christelijke kerk ontwikkelde zich in een zeer verspreid geografisch gebied. De kerk
vormde een nieuw soort sociale organisatie met georganiseerd moreel gezag en
verscheidene rituelen. Het ‘Christendom’ was een gemeenschappelijke manier van
leven. Deze gemeenschappelijke leefwijze samengebracht in religieuse rituelen
definiëerde ‘de kerk’.
De kerk, of ecclesia, was tot de 3de eeuw voor christus niet een gebouw maar een
samenkomen ter uitvoering van rituelen. De kerk was een dag van samenkomst ter
viering van de christelijke God. Deze heilige dag, de zondag, definiëerde de kerk. De
heilige dag van de joden was de Sabbath, de zaterdag. Zaterdag was de laatste dag van
de week, de dag dat God rust nam. Voor christenen was de heilige dag de zondag, de dag
van de zon in de Romeinse kalender en de eerste dag van de week. Dit was symbolisch
voor het begin van god’s creatie. Zoals Justinus zei ‘toen God het donker en de materie
transformeerde en de wereld creërde. Ook was de zondag de dag waarop Jezus opstond
uit de dood. Deze dag was zo belangrijk dat hij voor sommige christenen buiten de
normale loop van tijd viel. Het was de dag dat God ‘de nieuwe wereld’ had
geïnaugureert welke door goede christenen zou worden geërfd. Zondag representeerde
zodanig het begin en het einde van de wereld en de opstanding van Jezus.
Niet alleen de week maar ook het jaar werd ingedeeld naar een christelijke heilige
kalender. Er waren 2 belangrijke jaarlijkse joodse vieringen die een eigen chistelijke
invulling kregen. De eerste was Pesach, of Pasen, en de tweede was Pinksteren. Pesach
was de joodse viering van de bevrijding van hun voorouders van de slvaernij in Egypte.
De christelijke viering van Pesach was een viering ter herinnering aan het lijden, het
sterven, en de wederopstand van Jezus. Pinksteren was voor de joden het Wekenfeest.
Pinksteren voor christenen was een soort extensie van de heilige significantie Pasen
over de daaopvolgende 50 dagen. Deze periode werd beschouwd als 50 zondagen waar
de christenen de wederopstijging van Jezus en de neerdaling van de heilige geest
vierden. Deze jaarlijke cyclus werd door de christenen begonnen en beïndigd met een
nacht van waken. Deze nachtelijke rituelen werden door sommige gezien als de meest
geschikte, en voor sommige autoriteiten zelfs als de enige gelegenheid om nieuwe leden
in de gemeenschap de bekeren. Na participatie in het waken werd de bekeerde in de
gemeenschap opgenomen doormiddel van een uitgebreid doop ritueel, een ritueel ter
inwijding van een nieuw gemeentelid.
Rituelen met water bestaan al sinds de oudheid. Het ging dan meestal om rituelen tot
zuivering, innerlijke reiniging en de viering van nieuw leven. Het water ritueel van
Johannes de Doper was een ritueel ter zuiveing en morele reiniging. Voor christenen
was de doop een verband tussen zuivering, berouw en spijt, en vergeving van de zonde.
De dopeling werd symbolisch begraven in dood met Christus en daarna zou hij opstaan
met Christus in een nieuw bekeert leven en ook straks in de eeuwigheid. De doop was
niet alleen een toegang tot het christelijke geloof en de bijkomende rituelen, maar ook
een ethische toewijding om een moreel en zedelijk leven te lijden verbonden aan
bepaalde leefregels. De doop creërde religieuse divisies en rangschikkingen. Als eerste
waren er de gedoopte, daarna de doopleerlingen, of catechumenen, en als laatste
degene die nog niet klaar, of niet geschikt werden geacht om gedoopt te worden. De
doop werd uitgebreid beschreven door Hippolytus (ca.170 – ca.235), een chriselijke
leider in Rome. De doop was een uitgebreid ritueel process gedurende een lange
De christelijke kerk ontwikkelde zich in een zeer verspreid geografisch gebied. De kerk
vormde een nieuw soort sociale organisatie met georganiseerd moreel gezag en
verscheidene rituelen. Het ‘Christendom’ was een gemeenschappelijke manier van
leven. Deze gemeenschappelijke leefwijze samengebracht in religieuse rituelen
definiëerde ‘de kerk’.
De kerk, of ecclesia, was tot de 3de eeuw voor christus niet een gebouw maar een
samenkomen ter uitvoering van rituelen. De kerk was een dag van samenkomst ter
viering van de christelijke God. Deze heilige dag, de zondag, definiëerde de kerk. De
heilige dag van de joden was de Sabbath, de zaterdag. Zaterdag was de laatste dag van
de week, de dag dat God rust nam. Voor christenen was de heilige dag de zondag, de dag
van de zon in de Romeinse kalender en de eerste dag van de week. Dit was symbolisch
voor het begin van god’s creatie. Zoals Justinus zei ‘toen God het donker en de materie
transformeerde en de wereld creërde. Ook was de zondag de dag waarop Jezus opstond
uit de dood. Deze dag was zo belangrijk dat hij voor sommige christenen buiten de
normale loop van tijd viel. Het was de dag dat God ‘de nieuwe wereld’ had
geïnaugureert welke door goede christenen zou worden geërfd. Zondag representeerde
zodanig het begin en het einde van de wereld en de opstanding van Jezus.
Niet alleen de week maar ook het jaar werd ingedeeld naar een christelijke heilige
kalender. Er waren 2 belangrijke jaarlijkse joodse vieringen die een eigen chistelijke
invulling kregen. De eerste was Pesach, of Pasen, en de tweede was Pinksteren. Pesach
was de joodse viering van de bevrijding van hun voorouders van de slvaernij in Egypte.
De christelijke viering van Pesach was een viering ter herinnering aan het lijden, het
sterven, en de wederopstand van Jezus. Pinksteren was voor de joden het Wekenfeest.
Pinksteren voor christenen was een soort extensie van de heilige significantie Pasen
over de daaopvolgende 50 dagen. Deze periode werd beschouwd als 50 zondagen waar
de christenen de wederopstijging van Jezus en de neerdaling van de heilige geest
vierden. Deze jaarlijke cyclus werd door de christenen begonnen en beïndigd met een
nacht van waken. Deze nachtelijke rituelen werden door sommige gezien als de meest
geschikte, en voor sommige autoriteiten zelfs als de enige gelegenheid om nieuwe leden
in de gemeenschap de bekeren. Na participatie in het waken werd de bekeerde in de
gemeenschap opgenomen doormiddel van een uitgebreid doop ritueel, een ritueel ter
inwijding van een nieuw gemeentelid.
Rituelen met water bestaan al sinds de oudheid. Het ging dan meestal om rituelen tot
zuivering, innerlijke reiniging en de viering van nieuw leven. Het water ritueel van
Johannes de Doper was een ritueel ter zuiveing en morele reiniging. Voor christenen
was de doop een verband tussen zuivering, berouw en spijt, en vergeving van de zonde.
De dopeling werd symbolisch begraven in dood met Christus en daarna zou hij opstaan
met Christus in een nieuw bekeert leven en ook straks in de eeuwigheid. De doop was
niet alleen een toegang tot het christelijke geloof en de bijkomende rituelen, maar ook
een ethische toewijding om een moreel en zedelijk leven te lijden verbonden aan
bepaalde leefregels. De doop creërde religieuse divisies en rangschikkingen. Als eerste
waren er de gedoopte, daarna de doopleerlingen, of catechumenen, en als laatste
degene die nog niet klaar, of niet geschikt werden geacht om gedoopt te worden. De
doop werd uitgebreid beschreven door Hippolytus (ca.170 – ca.235), een chriselijke
leider in Rome. De doop was een uitgebreid ritueel process gedurende een lange