Sportmanagement
Hoofdstuk 5: Organisatiestructuren
Structureringsvraag: Heeft betrekking op het ontwerpen van een structuur
waarbinnen middelen kunnen worden afgestemd op te bereiken doelstellingen.
Het ontwerpen van een organisatiestructuur:
1. Het tot stand brengen van interne arbeidsverdelingen
2. Het toewijzen van beslissingsbevoegdheden
3. Het inbouwen van coördinatievoorzieningen binnen de organisatie
Informatiesystemen: Dienen zodanige informatie te verschaffen, dat managers
en overige organisatieleden steeds voldoende inzicht kunnen krijgen in de gang
van zaken.
Organisatiestructuur:
1. Taken, rollen en verantwoordelijkheid: De indeling van te verrichte
werkzaamheden in functies en taken van functionarissen, werkgroepen
en afdelingen
2. Autoriteitsrelaties: De vastgestelde bevoegdheden en de onderlinge
betrekkingen tussen functionarissen, werkgroepen en afdelingen bij de
uitvoering van hun taken
3. Communicatiepatronen: De ingebouwde formele communicatiekanalen en
mechanismen waardoor functionarissen, werkgroepen en afdelingen met
elkaar in verbinding staan ten behoeve van de noodzakelijke aansturing
en coördinatie.
Span of control: Aan hoeveel mensen of afdelingen kan een manager effectief
leiding geven.
Laterale communicatie: Directe communicatie, tussen mensen op hetzelfde
niveau van de organisatie. De communicatie gaat niet via leidinggevenden.
Waarom organisatiestructuur?
1. Snellere besluitvorming
2. Voorspelt het gedrag binnen de organisatie
3 taakgroeperingen:
1. Functiegerichte taakgroepering: Word de sportorganisatie ingedeeld
op basis van de aanwezige functiegebieden
- Voordeel: Veel beslissingen worden genomen vanuit kennis en
ervaring van specialisten
- Nadeel: Word erg aanbod georiënteerd gewerkt.
2. Geografische taakgroepering: Taken worden gegroepeerd op basis van
geografische kenmerken
- Voordeel: Mensen kunnen zich verdiepen in de cultuur en gewoontes
van de betreffende regio en kunnen daarop hun handelen aanpassen
Hoofdstuk 5: Organisatiestructuren
Structureringsvraag: Heeft betrekking op het ontwerpen van een structuur
waarbinnen middelen kunnen worden afgestemd op te bereiken doelstellingen.
Het ontwerpen van een organisatiestructuur:
1. Het tot stand brengen van interne arbeidsverdelingen
2. Het toewijzen van beslissingsbevoegdheden
3. Het inbouwen van coördinatievoorzieningen binnen de organisatie
Informatiesystemen: Dienen zodanige informatie te verschaffen, dat managers
en overige organisatieleden steeds voldoende inzicht kunnen krijgen in de gang
van zaken.
Organisatiestructuur:
1. Taken, rollen en verantwoordelijkheid: De indeling van te verrichte
werkzaamheden in functies en taken van functionarissen, werkgroepen
en afdelingen
2. Autoriteitsrelaties: De vastgestelde bevoegdheden en de onderlinge
betrekkingen tussen functionarissen, werkgroepen en afdelingen bij de
uitvoering van hun taken
3. Communicatiepatronen: De ingebouwde formele communicatiekanalen en
mechanismen waardoor functionarissen, werkgroepen en afdelingen met
elkaar in verbinding staan ten behoeve van de noodzakelijke aansturing
en coördinatie.
Span of control: Aan hoeveel mensen of afdelingen kan een manager effectief
leiding geven.
Laterale communicatie: Directe communicatie, tussen mensen op hetzelfde
niveau van de organisatie. De communicatie gaat niet via leidinggevenden.
Waarom organisatiestructuur?
1. Snellere besluitvorming
2. Voorspelt het gedrag binnen de organisatie
3 taakgroeperingen:
1. Functiegerichte taakgroepering: Word de sportorganisatie ingedeeld
op basis van de aanwezige functiegebieden
- Voordeel: Veel beslissingen worden genomen vanuit kennis en
ervaring van specialisten
- Nadeel: Word erg aanbod georiënteerd gewerkt.
2. Geografische taakgroepering: Taken worden gegroepeerd op basis van
geografische kenmerken
- Voordeel: Mensen kunnen zich verdiepen in de cultuur en gewoontes
van de betreffende regio en kunnen daarop hun handelen aanpassen