Pedagogiek KB
Eind oktober toets: hoofdstuk 1.1 t/m 1.3, 1.6 t/m 1.9, hoofdstuk 7, hoofdstuk 10.7 en 10.8
Definitie pedagogiek
Pais = kind
Agogein = leiden
Leiden van het kind
De leerkracht die creëert allerlei dingen, zet dingen neer (laten samenwerken, afspraken laten
maken, kinderen proberen te prikkelen). Je reikt allemaal dingen aan kinderen zodat ze gaan denken
wat voor groep zijn we en wat ben ik daarin.
Normen = bepaalde ongeschreven regels waar je gebonden bent je aan te houden, gedragsregels
Waarden = wat vind je belangrijk, hoe wordt je opgevoed, wat vinden je ouders belangrijk
Dasberg:
- Je mag meedoen
- Je mag meelopen
- Je mag dwarsliggen – wat vind ik belangrijk en wat wil ik daarmee (eigen keuze maken)
De 3 psychologische basisbehoeften (Om een veilig gevoel te creëren in de klas)
1. Competentie – je voelt je gewaardeerd door je leerkracht en je klasgenoten om wie je bent
(interesses van een kind, dat kinderen met het idee naar school komen van ik mag iets doen
waar ik goed in ben) en je goed begeleid wordt.
2. Autonomie – Dat kinderen het gevoel krijgen dat ze dingen zelfstandig kunnen doen en ze
dat vertrouwen/zelfvertrouwen krijgen dat ze dingen zelf kunnen oplossen (of samen met
andere kinderen)
3. Relatie – Het contact wat je als leerkracht maakt met je kinderen. Ieder kind wilt in de klas
door de leerkracht gezien worden. Ik mag zijn wie ik ben en mag me voelen hoe ik me voel
(veiligheid = belangrijk). Als leerkracht, zie het kind en waardeer het kind zoals hij/zij is en
zorg dat het kind dat voelt. De relatie in een klas is heel belangrijk.
Als leerkracht probeer je goed te bekijken waarin een kind zich kan onderscheiden/goed in is
Pedagogisch klimaat:
Klimaat waarin kinderen weten waar ze aantoe zijn, waarin ze weten dat ze gewardeerd worden en
dat de kinderen mogen zijn wie ze zijn. Dat ze een plek hebben.
Eind oktober toets: hoofdstuk 1.1 t/m 1.3, 1.6 t/m 1.9, hoofdstuk 7, hoofdstuk 10.7 en 10.8
Definitie pedagogiek
Pais = kind
Agogein = leiden
Leiden van het kind
De leerkracht die creëert allerlei dingen, zet dingen neer (laten samenwerken, afspraken laten
maken, kinderen proberen te prikkelen). Je reikt allemaal dingen aan kinderen zodat ze gaan denken
wat voor groep zijn we en wat ben ik daarin.
Normen = bepaalde ongeschreven regels waar je gebonden bent je aan te houden, gedragsregels
Waarden = wat vind je belangrijk, hoe wordt je opgevoed, wat vinden je ouders belangrijk
Dasberg:
- Je mag meedoen
- Je mag meelopen
- Je mag dwarsliggen – wat vind ik belangrijk en wat wil ik daarmee (eigen keuze maken)
De 3 psychologische basisbehoeften (Om een veilig gevoel te creëren in de klas)
1. Competentie – je voelt je gewaardeerd door je leerkracht en je klasgenoten om wie je bent
(interesses van een kind, dat kinderen met het idee naar school komen van ik mag iets doen
waar ik goed in ben) en je goed begeleid wordt.
2. Autonomie – Dat kinderen het gevoel krijgen dat ze dingen zelfstandig kunnen doen en ze
dat vertrouwen/zelfvertrouwen krijgen dat ze dingen zelf kunnen oplossen (of samen met
andere kinderen)
3. Relatie – Het contact wat je als leerkracht maakt met je kinderen. Ieder kind wilt in de klas
door de leerkracht gezien worden. Ik mag zijn wie ik ben en mag me voelen hoe ik me voel
(veiligheid = belangrijk). Als leerkracht, zie het kind en waardeer het kind zoals hij/zij is en
zorg dat het kind dat voelt. De relatie in een klas is heel belangrijk.
Als leerkracht probeer je goed te bekijken waarin een kind zich kan onderscheiden/goed in is
Pedagogisch klimaat:
Klimaat waarin kinderen weten waar ze aantoe zijn, waarin ze weten dat ze gewardeerd worden en
dat de kinderen mogen zijn wie ze zijn. Dat ze een plek hebben.