Pedagogiek:
- Pedagogische leerkracht:
Gedrag van kinderen, thuissituatie bekijken, kind aanvoelen, wat heeft zo’n groep eigenlijk
nodig,
- Ken je kinderen en weet wat hun interesses zijn, zie je kinderen en weet ze te lezen
- Naar jezelf zoeken, de een doet het zo en de ander weer zo
Onderwijs vroeger en nu:
(leerdoel vd 1.2 van de rijkopdracht)
Met die en die bronnen heb ik gezien zo ziet het onderwijs en vroeger uit en zo nu en dit zijn de
verschillen.
- Veel meer digitaal nu, vroeger meer uit boeken, nu veel digitaal op eigen niveau. Vroeger
werd er veel meer gedacht in gemiddeldes en iedereen moet dat niveau maar proberen aan
te tikken.
- Stelling: vroeger bepaalde de school hoe het er aan toe ging en nu hebben de ouders vaak
meer inspraak. Vroeger meer van de leraar heeft gelijk en nu denken ze dat er meer inspraak
is en er is veel meer data voor ouders. Vroeger dachten ze dat het aan het kind lag en nu aan
de leerkracht
- Vroeger waren de leerkrachten strenger en nu zijn ze meer gericht op het kind en ze worden
meer gebonden aan gedragsprotocollen. Sommige weten ook hoe erg het is (van vroeger).
Vroeger veel vanuit systemen en nu meer persoonlijk en als iemand het moeilijk vind wordt
er tijd voor gemaakt en ga je meer uit het systeem.
- Vroeger keken ze veel minder naar het sociale en emotionele aspect dan nu. Vroeger keken
ze naar resultaten. Nu is het sociale en emotionele aspect veel belangrijker. Vaak willen ze nu
leerlingen niet laten zitten
- Blijven zitten = doubleren
- Een ander groot verschil is dat men nu onderwijst met zelfstandigheid van de leerling als
doel.
- Vroeger had je veel meer de basisvakken en nu komt er veel meer bij kijken zoals drama,
EHBO, muziek, kanjertraining
- Vroeger zaten ze allemaal in schoolbanken 2 aan 2 naar het bord gericht en nu zie je vaak
groepjes (bureaueilanden) waarin ze zitten.
- Onderwijsontwikkeling: middeleeuwen: kerk heeft grote invloed in maatschappij, bepaalde
voor heel groot gedeelte de normen en waarden van de maatschappij. Iedere ouder werd
bijna dagelijks ermee onderwezen. 16e eeuw: boekdrukkunst, er werd veel geschreven. Toen
kwam het leesonderwijs steeds meer van kinderen moeten leren lezen. Kinderen
vaardigheden aanleren. 18e eeuw: De kerk had nog een bepalende rol maar die begon meer
van z’n gezag kwijt te raken. 19e eeuw: school kreeg veel meer gestalte. Je gaat naar school
om te leren en om later te kunnen werken. Er komen meer vakken bij: ak, gs, biologie. Het is
wel nog allemaal klassikaal. 20ste eeuw: je kan onderwijs ook anders aanvliegen. Die gingen
nadenken van hoe krijg je een kind tot een zelfstandig individu die zich later in de toekomst
zelf red. Iedereen kreeg een ander idee hoe je onderwijs het beste kunt inrichten. 21ste eeuw:
de overheid wilt al meer controle houden in wat moeten kinderen geleerd hebben als ze de
basisschool hebben gehad. Aan welke eisen moeten ze voldoen?
- Pedagogische leerkracht:
Gedrag van kinderen, thuissituatie bekijken, kind aanvoelen, wat heeft zo’n groep eigenlijk
nodig,
- Ken je kinderen en weet wat hun interesses zijn, zie je kinderen en weet ze te lezen
- Naar jezelf zoeken, de een doet het zo en de ander weer zo
Onderwijs vroeger en nu:
(leerdoel vd 1.2 van de rijkopdracht)
Met die en die bronnen heb ik gezien zo ziet het onderwijs en vroeger uit en zo nu en dit zijn de
verschillen.
- Veel meer digitaal nu, vroeger meer uit boeken, nu veel digitaal op eigen niveau. Vroeger
werd er veel meer gedacht in gemiddeldes en iedereen moet dat niveau maar proberen aan
te tikken.
- Stelling: vroeger bepaalde de school hoe het er aan toe ging en nu hebben de ouders vaak
meer inspraak. Vroeger meer van de leraar heeft gelijk en nu denken ze dat er meer inspraak
is en er is veel meer data voor ouders. Vroeger dachten ze dat het aan het kind lag en nu aan
de leerkracht
- Vroeger waren de leerkrachten strenger en nu zijn ze meer gericht op het kind en ze worden
meer gebonden aan gedragsprotocollen. Sommige weten ook hoe erg het is (van vroeger).
Vroeger veel vanuit systemen en nu meer persoonlijk en als iemand het moeilijk vind wordt
er tijd voor gemaakt en ga je meer uit het systeem.
- Vroeger keken ze veel minder naar het sociale en emotionele aspect dan nu. Vroeger keken
ze naar resultaten. Nu is het sociale en emotionele aspect veel belangrijker. Vaak willen ze nu
leerlingen niet laten zitten
- Blijven zitten = doubleren
- Een ander groot verschil is dat men nu onderwijst met zelfstandigheid van de leerling als
doel.
- Vroeger had je veel meer de basisvakken en nu komt er veel meer bij kijken zoals drama,
EHBO, muziek, kanjertraining
- Vroeger zaten ze allemaal in schoolbanken 2 aan 2 naar het bord gericht en nu zie je vaak
groepjes (bureaueilanden) waarin ze zitten.
- Onderwijsontwikkeling: middeleeuwen: kerk heeft grote invloed in maatschappij, bepaalde
voor heel groot gedeelte de normen en waarden van de maatschappij. Iedere ouder werd
bijna dagelijks ermee onderwezen. 16e eeuw: boekdrukkunst, er werd veel geschreven. Toen
kwam het leesonderwijs steeds meer van kinderen moeten leren lezen. Kinderen
vaardigheden aanleren. 18e eeuw: De kerk had nog een bepalende rol maar die begon meer
van z’n gezag kwijt te raken. 19e eeuw: school kreeg veel meer gestalte. Je gaat naar school
om te leren en om later te kunnen werken. Er komen meer vakken bij: ak, gs, biologie. Het is
wel nog allemaal klassikaal. 20ste eeuw: je kan onderwijs ook anders aanvliegen. Die gingen
nadenken van hoe krijg je een kind tot een zelfstandig individu die zich later in de toekomst
zelf red. Iedereen kreeg een ander idee hoe je onderwijs het beste kunt inrichten. 21ste eeuw:
de overheid wilt al meer controle houden in wat moeten kinderen geleerd hebben als ze de
basisschool hebben gehad. Aan welke eisen moeten ze voldoen?