Nederlands Kennisbasis toets 1.2
Domein Hoofdstuk Paginanummers
Spelling Hoofdstuk 11 pp. 251-277
Begrijpend lezen Hoofdstuk 7 pp. 149-169
Mondelinge taalvaardigheid Hoofdstuk 3 pp. 43-69
Voortgezet technisch lezen Hoofdstuk 6 pp. 123-147
Jeugdliteratuur Hoofdstuk 9 pp. 193-209
Taalonderwijs en taal Hoofdstuk 2 pp. 17-41
We zijn al jaren bezig om onze taal op schrift te zetten. De oudste taal is het pictografisch schrift - Via
tekeningen en afbeeldingen boodschappen duidelijk maken. Deze tijd worden pictogrammen in
methodes en in het verkeer nog steeds gebruikt. Je komt nog steeds pictogrammen in combinatie
met tekst tegen, denk aan was symbool enz.
Vanuit het pictografisch schrift kwam het logografisch schrift. Dat schrift gaat er van uit dat elk apart
logo een ander woord of woorddeel voorstelt. Daaruit ontstond het alfabetisch schrift. Ze dachten
wat als we elke klank een ander teken kunnen geven. Eerst voor de klinkers en daarna kwamen de
Grieken ook met tekens voor de medeklinkers.
Fonemen = Klanken in ons taalgebruik. (hoe je het hoort)
Grafemen = Tekens waarmee we die klanken weergeven (kunnen ook combinaties zijn (ei, oe),
lettercombinaties) (letters, lettercombinaties)
Moeilijkheid (1)
- Latijnse alfabet: 26 letters
- Niet genoeg tekens om elk foneem apart weer te geven
Moeilijkheid (2)
- Koppeling fonemen en grafemen is niet eenduidig
- Boom/Bomen → 2 klanken en 1 teken
- Leenwoorden: Frans en Engels
- Cadeau/Goal → OO klank maar je schrijft het anders
Nederlandse taal
- 34 fonemen
- 36 grafemen
- Meestal evenveel fonemen als grafemen in een woord, maar uitzonderingen…
- Meer fonemen dan grafemen: DIEJAA → DIA
- Twee grafemen voor 1 foneem: EI/IJ/AU/OU → klank is hetzelfde maar zijn verschillend
4 principes (afspraken die gemaakt zijn om aan de juiste spelling te komen)
1. Fonologisch principe: Klankzuivere woorden, woorden schrijven zoals je ze hoort
2. Morfologisch principe: Bij de spelling van een woord gaan we uit van vormovereenkomst. Bestaat
uit Morfeem: een woord of deel van een woord dat niet verder opgesplitst kan worden en zelfstandig
betekenis dragen. Het zijn woorden of voor- en achtervoegsels.
A. Regel van gelijkvormigheid: We schrijven een woord, voor- of achtervoegsel steeds op dezelfde
manier (paard / paarden) (onteigenen / onttrekken) (web / webben)
, B. Regel van overeenkomst: We schrijven een woord volgens de opbouw van het woord. (lengte,
breedte dus je schrijft ook grootte) (hij vindt overeenkomstig want het is hij werkt)
- Vrije morfemen: morfemen die ook als los woord kunnen voorkomen (ex of boek) (boekenlegger)
- Gebonden morfemen: moeten altijd aan een woord worden gekoppeld (ont-) (onthouden)
3. Etymologische principe: Vroegere taalvorm (Middelnederlands) is bepalend voor schrijfwijze: hij
en hei. Ook leenwoorden zoals interview. Het woord komt uit herkomst, maar je moet gewoon
weten hoe je het schrijft (grijs/gris, tapijt/tapis, paleis/palais)
4. Syllabisch principe: Syllabe is een klankstuk, een gedeelte van een woord (loo/pun, aa/jaks). Je
luistert wat je hoort en dan verdeel je het)
- Niet hetzelfde als een lettergreep (bak/ker → ba/kur)
- Lastige regel voor kinderen (je schrijft het anders dan dat je het hoort)(3 denkstappen)
- Speelt een rol:
1. Bij de verenkelingsregel: eindigt een klankstuk op een lange klank, dan schrijven we maar 1 letter
(bramen / braa)
2. Bij de verdubbelingsregel: eindigt een klankstuk op een korte klank, dan wordt de medeklinker die
daarop volgt verdubbeld (koffie/ ko)
De functie van het woordgeheugen
Informatie over woorden ligt met een vijftal kenmerkende eigenschappen opgeslagen in ons brein:
1. Fonologische identiteit – akoestische identiteit, hoe klinkt
2. Morfologische identiteit – hoe is het woord opgebouwd
3. Semantische identiteit – betekenis van een woord
4. Syntactische identiteit – hoe spel je een woord in relatie met andere woorden (in de context)
5. Orthografische identiteit – hoe spellen we dan een woord
Aanvankelijk spellen
- Bij het leren spellen moet een leerling leren hoe je een woord precies spelt (orthografische
identiteit)
- Er moet een versmelting komen tussen de orthografische
Spellingsstrategieën
De manier die een speller gebruikt om tot de juiste schrijfwijze van een woord te komen
1. Directe spellingsstrategie: volledig geautomatiseerd (volgens schrijf motorisch patroon)
2. Indirecte spellingsstrategie: Wanneer er een denkhandeling wordt toegepast bij het schrijven van
een woord
- Fonologische strategie → auditieve spellingsstrategie
A .Elementaire spellingshandeling: gehoor (/m/ /aa/ /n/ = maan)(klankzuivere woorden)(kind ziet
tak, kind schrijft tak, kind denkt tak, kind hoort tak en denkt aan tak)
B. Klankcluster strategie: gehoor + welke groepen spraakklanken vormen eenheid (aai, oei, eeuw)
- Woordbeeldstrategie
- Visuele strategie → woordgeheugen
- Tevens is dit een controle strategie (ziet het er logisch uit)
A. Leenwoorden (dessert, boulevard, computer, interview)
B. Meer grafemen voor een foneem: (ei, ij, au-ou, g-ch) (kei, vrouw)
- Regelstrategie’
- Spellingregel om tot de juiste schrijfwijze van een woord te komen
- Heel algemeen kun je stellen → hoor je X in situatie Y dan schrijf je Z (hoor je /ies/ aan het eind dan
schrijf je -isch)(fantastisch)
- Analogiestrategie
- Wanneer je je bij het schrijven van woorden beroept op zelf ontdekte regelmaat in de spelling
zonder dat deze regels je expliciet zijn aangeleerd
- Je maakt een vergelijking
Domein Hoofdstuk Paginanummers
Spelling Hoofdstuk 11 pp. 251-277
Begrijpend lezen Hoofdstuk 7 pp. 149-169
Mondelinge taalvaardigheid Hoofdstuk 3 pp. 43-69
Voortgezet technisch lezen Hoofdstuk 6 pp. 123-147
Jeugdliteratuur Hoofdstuk 9 pp. 193-209
Taalonderwijs en taal Hoofdstuk 2 pp. 17-41
We zijn al jaren bezig om onze taal op schrift te zetten. De oudste taal is het pictografisch schrift - Via
tekeningen en afbeeldingen boodschappen duidelijk maken. Deze tijd worden pictogrammen in
methodes en in het verkeer nog steeds gebruikt. Je komt nog steeds pictogrammen in combinatie
met tekst tegen, denk aan was symbool enz.
Vanuit het pictografisch schrift kwam het logografisch schrift. Dat schrift gaat er van uit dat elk apart
logo een ander woord of woorddeel voorstelt. Daaruit ontstond het alfabetisch schrift. Ze dachten
wat als we elke klank een ander teken kunnen geven. Eerst voor de klinkers en daarna kwamen de
Grieken ook met tekens voor de medeklinkers.
Fonemen = Klanken in ons taalgebruik. (hoe je het hoort)
Grafemen = Tekens waarmee we die klanken weergeven (kunnen ook combinaties zijn (ei, oe),
lettercombinaties) (letters, lettercombinaties)
Moeilijkheid (1)
- Latijnse alfabet: 26 letters
- Niet genoeg tekens om elk foneem apart weer te geven
Moeilijkheid (2)
- Koppeling fonemen en grafemen is niet eenduidig
- Boom/Bomen → 2 klanken en 1 teken
- Leenwoorden: Frans en Engels
- Cadeau/Goal → OO klank maar je schrijft het anders
Nederlandse taal
- 34 fonemen
- 36 grafemen
- Meestal evenveel fonemen als grafemen in een woord, maar uitzonderingen…
- Meer fonemen dan grafemen: DIEJAA → DIA
- Twee grafemen voor 1 foneem: EI/IJ/AU/OU → klank is hetzelfde maar zijn verschillend
4 principes (afspraken die gemaakt zijn om aan de juiste spelling te komen)
1. Fonologisch principe: Klankzuivere woorden, woorden schrijven zoals je ze hoort
2. Morfologisch principe: Bij de spelling van een woord gaan we uit van vormovereenkomst. Bestaat
uit Morfeem: een woord of deel van een woord dat niet verder opgesplitst kan worden en zelfstandig
betekenis dragen. Het zijn woorden of voor- en achtervoegsels.
A. Regel van gelijkvormigheid: We schrijven een woord, voor- of achtervoegsel steeds op dezelfde
manier (paard / paarden) (onteigenen / onttrekken) (web / webben)
, B. Regel van overeenkomst: We schrijven een woord volgens de opbouw van het woord. (lengte,
breedte dus je schrijft ook grootte) (hij vindt overeenkomstig want het is hij werkt)
- Vrije morfemen: morfemen die ook als los woord kunnen voorkomen (ex of boek) (boekenlegger)
- Gebonden morfemen: moeten altijd aan een woord worden gekoppeld (ont-) (onthouden)
3. Etymologische principe: Vroegere taalvorm (Middelnederlands) is bepalend voor schrijfwijze: hij
en hei. Ook leenwoorden zoals interview. Het woord komt uit herkomst, maar je moet gewoon
weten hoe je het schrijft (grijs/gris, tapijt/tapis, paleis/palais)
4. Syllabisch principe: Syllabe is een klankstuk, een gedeelte van een woord (loo/pun, aa/jaks). Je
luistert wat je hoort en dan verdeel je het)
- Niet hetzelfde als een lettergreep (bak/ker → ba/kur)
- Lastige regel voor kinderen (je schrijft het anders dan dat je het hoort)(3 denkstappen)
- Speelt een rol:
1. Bij de verenkelingsregel: eindigt een klankstuk op een lange klank, dan schrijven we maar 1 letter
(bramen / braa)
2. Bij de verdubbelingsregel: eindigt een klankstuk op een korte klank, dan wordt de medeklinker die
daarop volgt verdubbeld (koffie/ ko)
De functie van het woordgeheugen
Informatie over woorden ligt met een vijftal kenmerkende eigenschappen opgeslagen in ons brein:
1. Fonologische identiteit – akoestische identiteit, hoe klinkt
2. Morfologische identiteit – hoe is het woord opgebouwd
3. Semantische identiteit – betekenis van een woord
4. Syntactische identiteit – hoe spel je een woord in relatie met andere woorden (in de context)
5. Orthografische identiteit – hoe spellen we dan een woord
Aanvankelijk spellen
- Bij het leren spellen moet een leerling leren hoe je een woord precies spelt (orthografische
identiteit)
- Er moet een versmelting komen tussen de orthografische
Spellingsstrategieën
De manier die een speller gebruikt om tot de juiste schrijfwijze van een woord te komen
1. Directe spellingsstrategie: volledig geautomatiseerd (volgens schrijf motorisch patroon)
2. Indirecte spellingsstrategie: Wanneer er een denkhandeling wordt toegepast bij het schrijven van
een woord
- Fonologische strategie → auditieve spellingsstrategie
A .Elementaire spellingshandeling: gehoor (/m/ /aa/ /n/ = maan)(klankzuivere woorden)(kind ziet
tak, kind schrijft tak, kind denkt tak, kind hoort tak en denkt aan tak)
B. Klankcluster strategie: gehoor + welke groepen spraakklanken vormen eenheid (aai, oei, eeuw)
- Woordbeeldstrategie
- Visuele strategie → woordgeheugen
- Tevens is dit een controle strategie (ziet het er logisch uit)
A. Leenwoorden (dessert, boulevard, computer, interview)
B. Meer grafemen voor een foneem: (ei, ij, au-ou, g-ch) (kei, vrouw)
- Regelstrategie’
- Spellingregel om tot de juiste schrijfwijze van een woord te komen
- Heel algemeen kun je stellen → hoor je X in situatie Y dan schrijf je Z (hoor je /ies/ aan het eind dan
schrijf je -isch)(fantastisch)
- Analogiestrategie
- Wanneer je je bij het schrijven van woorden beroept op zelf ontdekte regelmaat in de spelling
zonder dat deze regels je expliciet zijn aangeleerd
- Je maakt een vergelijking