Inleiding privaatrecht II – 2016
WEEK 4
ONDERWERPEN
Werkgroep I
Verkrijging en verlies door verjaring
Inbezitneming (occupatie), vinderschap, schatvinding
Vermenging, zaaksvorming en natrekking
Vruchttrekking en zaaksvervanging
Werkgroep II
Geen nieuwe onderwerpen, voorbereiding op de deeltoets.
INLEIDING OP DE STOF
De verkrijging en het verlies van goederen kan op verschillende manieren plaatsvinden. De
meeste bekende wijze waarvan is door de overdracht van het goed, die is uitgewerkt in
afdeling 3.4.2 BW. Volgend op deze afdeling 3.4.3 BW is de regeling omtrent de verkrijgende
verjaring geregeld. De verkrijging en, omgekeerd, het verlies door verjaring heeft betrekking
op alle goederen. Niet alleen (eigendomsrechten op) roerende en onroerende zaken, maar
ook vorderingen en beperkte rechten vallen derhalve daaronder. De regeling kent in de kern
twee soorten verkrijgende verjaring. Voor beide soorten is steeds het bezit van belang. Het
bezit is geregeld in opvolgende afdeling 3.4.4 BW.
Is sprake van een onafgebroken bezit te goeder trouw van een roerende zaak, niet-
registergoed gedurende een periode van drie jaar, dan verkrijgt de bezitter het
eigendomsrecht daarop. Bij andere goederen is deze periode langer, namelijk tien jaar.
Bijvoorbeeld, heeft de notaris een fout gemaakt bij de levering van een registergoed of de
vestiging van een beperkt recht, waardoor de overdracht of vestiging niet tot stand is
gekomen, dan kan de beoogd verkrijger na tien jaar op de verkrijgende verjaring een beroep
doen. Verschillende bepalingen in de regeling van de verkrijgende verjaring gaan in op de
vraag of sprake is van onafgebroken bezit te goeder trouw.
Voor de andere verkrijgende verjaring zijn de goede trouw en het onafgebroken bezit niet van
belang. Het enige dat in de kern van belang is, is dat de rechthebbende op het goed het bezit
daarvan gedurende een periode van twintig jaar is verloren, en daartegen geen actie heeft
ondernomen. Is dat het geval, dan is zijn rechtsvordering verjaard, en zal hij niet het bezit
terug kunnen krijgen. De wetgever heeft om praktische redenen gemeend dat in die gevallen
de bezitter maar beter tot rechthebbende kan worden verheven, zelfs in die gevallen waarin
het moreel gezien wellicht onjuist zou zijn om dat te doen, zoals bij diefstal. Door de
verwijzing naar de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het (onrechtmatige)
WEEK 4
ONDERWERPEN
Werkgroep I
Verkrijging en verlies door verjaring
Inbezitneming (occupatie), vinderschap, schatvinding
Vermenging, zaaksvorming en natrekking
Vruchttrekking en zaaksvervanging
Werkgroep II
Geen nieuwe onderwerpen, voorbereiding op de deeltoets.
INLEIDING OP DE STOF
De verkrijging en het verlies van goederen kan op verschillende manieren plaatsvinden. De
meeste bekende wijze waarvan is door de overdracht van het goed, die is uitgewerkt in
afdeling 3.4.2 BW. Volgend op deze afdeling 3.4.3 BW is de regeling omtrent de verkrijgende
verjaring geregeld. De verkrijging en, omgekeerd, het verlies door verjaring heeft betrekking
op alle goederen. Niet alleen (eigendomsrechten op) roerende en onroerende zaken, maar
ook vorderingen en beperkte rechten vallen derhalve daaronder. De regeling kent in de kern
twee soorten verkrijgende verjaring. Voor beide soorten is steeds het bezit van belang. Het
bezit is geregeld in opvolgende afdeling 3.4.4 BW.
Is sprake van een onafgebroken bezit te goeder trouw van een roerende zaak, niet-
registergoed gedurende een periode van drie jaar, dan verkrijgt de bezitter het
eigendomsrecht daarop. Bij andere goederen is deze periode langer, namelijk tien jaar.
Bijvoorbeeld, heeft de notaris een fout gemaakt bij de levering van een registergoed of de
vestiging van een beperkt recht, waardoor de overdracht of vestiging niet tot stand is
gekomen, dan kan de beoogd verkrijger na tien jaar op de verkrijgende verjaring een beroep
doen. Verschillende bepalingen in de regeling van de verkrijgende verjaring gaan in op de
vraag of sprake is van onafgebroken bezit te goeder trouw.
Voor de andere verkrijgende verjaring zijn de goede trouw en het onafgebroken bezit niet van
belang. Het enige dat in de kern van belang is, is dat de rechthebbende op het goed het bezit
daarvan gedurende een periode van twintig jaar is verloren, en daartegen geen actie heeft
ondernomen. Is dat het geval, dan is zijn rechtsvordering verjaard, en zal hij niet het bezit
terug kunnen krijgen. De wetgever heeft om praktische redenen gemeend dat in die gevallen
de bezitter maar beter tot rechthebbende kan worden verheven, zelfs in die gevallen waarin
het moreel gezien wellicht onjuist zou zijn om dat te doen, zoals bij diefstal. Door de
verwijzing naar de verjaring van de rechtsvordering tot beëindiging van het (onrechtmatige)