WEEK 6
ONDERWERPEN
Werkgroep I
Vestiging van beperkte zekerheidsrechten
Inhoud van beperkte zekerheidsrechten
Afhankelijkheid
Zaaksgevolg
Eigendomsvoorbehoud
Recht van reclame
Werkgroep II
Recht van de dertiende penning
Beperkte zekerheidsrechten in het Romeinse recht
INLEIDING OP DE STOF
Het recht van pand en het recht van hypotheek zijn beperkte zekerheidsrechten. Zij geven
aan de pand- respectievelijk hypotheekhouder een sterke positie ten opzichte van de
schuldenaar en diens overige schuldeisers. De pand- en hypotheekhouder mogen hun
geldvordering namelijk bij voorrang boven andere schuldeisers verhalen op de goederen
waarop hun pand- respectievelijk hypotheekrecht rust (zie art. 3:227 BW). Op
registergoederen (zoals een huis) moet een recht van hypotheek worden gevestigd. Op alle
andere goederen (zoals roerende zaken, maar ook vorderingen) moet een recht van pand
worden gevestigd.
Beperkte zekerheidsrechten worden gevestigd conform de vereisten van art. 3:98 jo art. 3:84
BW. Er moet dus een geldige titel zijn, de pand- of hypotheekgever moet
beschikkingsbevoegd zijn en er moet een vestigingshandeling plaatsvinden. Voor wat betreft
de in acht te nemen vestigingshandeling bevatten de afdelingen 3.9.2 en 3.9.4 bijzondere
bepalingen.
Beperkte zekerheidsrechten kenmerken zich in de eerste plaats hierdoor dat zij, net zoals
ieder ander beperkt recht, zaaksgevolg hebben: zij blijven op de zaak (beter: het goed)
rusten waarop zij zijn gevestigd, ongeacht in wiens handen de zaak (het goed) terecht komt.
Daarnaast zijn de rechten van pand- en hypotheek afhankelijke rechten: zij zijn onlosmakelijk
verbonden aan de (geld) vordering tot zekerheid waarvan zij zijn gevestigd. Wordt deze
geldvordering bijvoorbeeld gecedeerd, dan verkrijgt de cessionaris van rechtswege samen
met de vordering ook het zekerheidsrecht. Of gaat de geldvordering (bijvoorbeeld door