IER, periode 4
Week 5
Inleiding Europees recht
Periode 4, 2015-2016
Week 5
Europees mededingingsrecht
Voorgeschreven literatuur:
ERAD (2015): Hoofdstuk 5
Reader: Week 5
Warm-up vragen
I. Geef aan welk van de onderstaande stellingen onjuist is.
a. Binnenlandse belastingen die op binnenlandse en buitenlandse producten
worden geheven zijn verboden onder artikel 30 VWEU. Deze stelling is onjuist,
art. 30 jo. 110.
b. Douanerechten van fiscale aard zijn altijd verboden onder artikel 30 VWEU.
c. Heffingen van gelijke werking zijn verboden onder artikel 30 VWEU.
d. Heffingen die niet douanerechten zijn, maar die wel een gelijksoortige werking
als douanerechten hebben, zijn verboden onder artikel 30 VWEU.
II. Geef aan welk van de onderstaande stellingen juist is.
a. Het vrij verkeer van goederen heeft verticale en horizontale rechtstreekse
werking.
b. Maatregelen van gelijke werking in de zin in van artikel 34 VWEU zijn alle
nationale maatregelen die de handel tussen de lidstaten direct of indirect,
daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren. Dassonville, Cassis de Dijon,
Keck
c. Verkoopmodaliteiten in de zin van het Keck-arrest kunnen betrekking hebben op
de plaats en het tijdstip van de verkoop van producten, op de reclame voor
producten en op de productiemethode van producten.
d. Een maatregel van gelijke werking met onderscheid kan gerechtvaardigd worden
door zowel é én van de gronden genoemd in artikel 36 VWEU als door dwingende
vereisten van algemeen belang.
III. Welk onderstaand alternatief maakt de navolgende uitspraak op juiste wijze
af? Uit het arrest Cassis de Dijon volgt dat...
1. Er vijf dringende behoeften zijn als rechtvaardigingsmogelijkheid, namelijk: de
doeltreffendheid van fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid,
de eerlijkheid van handelstransacties, de bescherming van consumenten en de
bescherming van cultuur.
2. Er vijf dringende behoeften zijn als rechtvaardigingsmogelijkheid, namelijk: de
doeltreffendheid van fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid,
Week 5
Inleiding Europees recht
Periode 4, 2015-2016
Week 5
Europees mededingingsrecht
Voorgeschreven literatuur:
ERAD (2015): Hoofdstuk 5
Reader: Week 5
Warm-up vragen
I. Geef aan welk van de onderstaande stellingen onjuist is.
a. Binnenlandse belastingen die op binnenlandse en buitenlandse producten
worden geheven zijn verboden onder artikel 30 VWEU. Deze stelling is onjuist,
art. 30 jo. 110.
b. Douanerechten van fiscale aard zijn altijd verboden onder artikel 30 VWEU.
c. Heffingen van gelijke werking zijn verboden onder artikel 30 VWEU.
d. Heffingen die niet douanerechten zijn, maar die wel een gelijksoortige werking
als douanerechten hebben, zijn verboden onder artikel 30 VWEU.
II. Geef aan welk van de onderstaande stellingen juist is.
a. Het vrij verkeer van goederen heeft verticale en horizontale rechtstreekse
werking.
b. Maatregelen van gelijke werking in de zin in van artikel 34 VWEU zijn alle
nationale maatregelen die de handel tussen de lidstaten direct of indirect,
daadwerkelijk of potentieel kunnen belemmeren. Dassonville, Cassis de Dijon,
Keck
c. Verkoopmodaliteiten in de zin van het Keck-arrest kunnen betrekking hebben op
de plaats en het tijdstip van de verkoop van producten, op de reclame voor
producten en op de productiemethode van producten.
d. Een maatregel van gelijke werking met onderscheid kan gerechtvaardigd worden
door zowel é én van de gronden genoemd in artikel 36 VWEU als door dwingende
vereisten van algemeen belang.
III. Welk onderstaand alternatief maakt de navolgende uitspraak op juiste wijze
af? Uit het arrest Cassis de Dijon volgt dat...
1. Er vijf dringende behoeften zijn als rechtvaardigingsmogelijkheid, namelijk: de
doeltreffendheid van fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid,
de eerlijkheid van handelstransacties, de bescherming van consumenten en de
bescherming van cultuur.
2. Er vijf dringende behoeften zijn als rechtvaardigingsmogelijkheid, namelijk: de
doeltreffendheid van fiscale controles, de bescherming van de volksgezondheid,