Hoofdstuk 4: Kennis en inzicht
Een van de belangrijkste functies van het basisonderwijs is het kinderen bijbrengen van kennis van de
wereld om ons heen en van de geschiedenis van die wereld. Wat een kind op welke manier dan ook
in het dagelijkse leven aan kennis verwerft, was en is reusachtig belangrijk. De leraar probeert aan te
sluiten bij de basiskennis die de meeste kinderen van huis meenemen.
Er wordt geprobeerd hen manieren van denken – kennissystemen – bij te brengen; die te vullen met
kennis en bij leerlingen het inzicht in de samenhang van allerlei kenniselementen te vergroten en te
verdiepen.
Goed, voldoende of fout
Kennis wil zeggen dat je iets weet over een bepaald onderwerp. Maar dat ‘iets’ kan allerlei gradaties
hebben. Je leert dat je moet streven naar zo goed mogelijk, naar zoveel mogelijk lijkend op het goede
voorbeeld wat betreft schrijven. Bij rekenen en lezen is fout ook echt fout.
Bij kennis die te maken heeft met gebeurtenissen en verschijnselen hier, ver weg, nu of vroeger zijn
gradaties het duidelijkst.
Het is belangrijk kinderen te laten zien dat als je denkt over de wereld, er verschillen zijn in wanneer
iets absoluut goed moet zijn, wanneer iets dat in de buurt komt ook al voldoende kan zijn en wan-
neer iets beslist fout is.
Absolute en waarschijnlijke samenhangen
De samenhang van twee gebeurtenissen of verschijnselen kan van absolute aard zijn (terwijl het hier
nacht is, schijnt aan de andere kant de zon – wetmatigheid).
Maar behalve de absolute zijn er ook waarschijnlijke – probalistische – samenhangen: twee gebeur-
tenissen of verschijnselen gaan dikwijls samen, maar niet altijd.
Geleidelijk en spelenderwijs leren kinderen zulke waarschijnlijke verbanden te onderscheiden van
absolute verbanden.
Oorzakelijke en parallelle verbanden
Bij een oorzakelijk verband is de voorafgaande gebeurtenis oorzaak van de daaropvolgende.
Van een bepaald aspect van oorzakelijkheid krijgen kinderen al heel vroeg een eerste notie: schijn-
oorzakelijkheid. Het kind leert dat als twee verschijnselen of gebeurtenissen tegelijkertijd of heel kort
na elkaar plaatsvinden het best kan zijn dat het een het ander veroorzaakt heeft, maar dat dat niet
hoeft.
Ook leren kinderen in de schoolleeftijd om zelf indrukken van schijnoorzakelijkheid bij ouders en
leraren te wekken.
Bij parallelle verbanden treden twee verschijnselen altijd samen op. Er is een derde factor als oorzaak
en de beide verschijnselen zijn daarvan het gevolg.
In de ontwikkeling van kinderen treden twee of meer verschijnselen vaak samen op: correlatie.
Denken in woorden
Dankzij de taal leren kinderen gebeurtenissen en verschijnselen te benoemen en in te delen in cate-
gorieën. De taal maakt het mogelijk om in gedachten met de werkelijkheid bezig te zijn.
Van steeds meer verschijnselen in de wereld gaan kinderen in de schoolleeftijd het onderling ver-