Oefentoets levenslooppsychologie
1. Wanneer zijn de psychomotorische vermogens op hun best?
a) Tijdens de adolescentie
b) Tijdens de vroeg volwassenheid
c) Tijdens de middelbare leeftijd
d) Tijdens de ouderdom
2. Keuzes in levensstijl kunnen leiden tot:
a) Primaire veroudering
b) Secundaire veroudering
c) Tertiaire veroudering
3. Positiever kijken naar een probleem, hoort bij:
a) Defensieve coping
b) Probleemgerichte coping
c) Emotiegerichte coping
4. Volgens Piaget is ons denken grotendeels vanaf het einde van de adolescentie:
a) Gedaald
b) Gelijk gebleven
c) Gestegen
5. Wat hoort NIET bij de benadering van Labouvie-Vief?
a) De aard van het denken blijft hetzelfde tijdens de vroeg volwassenheid
b) De samenleving vereist een manier van denken gebaseerd op logica, praktische
ervaring, morele oordelen en waarden
c) Jongvolwassenen tonen postformeel denken
6. Denken in goed of fout, hoort bij:
a) Dialectisch denken
b) Dualistisch denken
c) Praktisch denken
7. Wie denkt dat volwassenen zich volgens een vast patroon van stadia ontwikkelen?
a) Schaie
b) Piaget
c) Sternberg
8. Hierin verzamelen we informatie, die wordt opgeslagen voor toekomstig gebruik:
a) Verwervend stadium
b) Ondernemend stadium
c) Uitvoerend stadium
d) Reïntegratief stadium
e) Verantwoordelijk stadium
, 9. Mogelijkheden om formules en probleemoplossende strategieën te gebruiken, hoort
bij:
a) Contextuele component
b) Experimentele component
c) Componentiële component
d) Praktische component
10. Bij welke periode hoort de aanpassingsreactie?
a) Overgang basisschool naar middelbare school
b) Overgang middelbare school naar mbo, hbo of uni
c) Overgang mbo, hbo, uni naar echte baan
11. Welke hoort bij vroeg volwassenheid?
a) Generativiteit vs stagnatie
b) Identiteit vs identiteitsverwarring
c) Intimiteit vs isolement
d) Integriteit vs wanhoop
12. Wat is GEEN aangeboren psychologische basisbehoefte?
a) Autonomie
b) Competentie
c) Relationele verbondenheid
d) Verbintenis
13. De sociale klok is:
a) Vooral cultureel bepaald
b) Vooral biologisch bepaald
c) Vooral maatschappelijk bepaald
14. Dit is ook wel de allereerste ontmoeting:
a) Stimulusstadium
b) Waardestadium
c) Rolstadium
15. Wat is GEEN component van liefde?
a) Intimiteit
b) Passie
c) Beslissing
d) Verbintenis
e) Competentie
16. Wie zullen volgens Shaver meer inlevingsvermogen tonen en steun bieden?
a) Veilig gehechte personen
b) Vermijdend gehechte personen
c) Ambivalent gehechte personen
d) Angstig gehechte personen
1. Wanneer zijn de psychomotorische vermogens op hun best?
a) Tijdens de adolescentie
b) Tijdens de vroeg volwassenheid
c) Tijdens de middelbare leeftijd
d) Tijdens de ouderdom
2. Keuzes in levensstijl kunnen leiden tot:
a) Primaire veroudering
b) Secundaire veroudering
c) Tertiaire veroudering
3. Positiever kijken naar een probleem, hoort bij:
a) Defensieve coping
b) Probleemgerichte coping
c) Emotiegerichte coping
4. Volgens Piaget is ons denken grotendeels vanaf het einde van de adolescentie:
a) Gedaald
b) Gelijk gebleven
c) Gestegen
5. Wat hoort NIET bij de benadering van Labouvie-Vief?
a) De aard van het denken blijft hetzelfde tijdens de vroeg volwassenheid
b) De samenleving vereist een manier van denken gebaseerd op logica, praktische
ervaring, morele oordelen en waarden
c) Jongvolwassenen tonen postformeel denken
6. Denken in goed of fout, hoort bij:
a) Dialectisch denken
b) Dualistisch denken
c) Praktisch denken
7. Wie denkt dat volwassenen zich volgens een vast patroon van stadia ontwikkelen?
a) Schaie
b) Piaget
c) Sternberg
8. Hierin verzamelen we informatie, die wordt opgeslagen voor toekomstig gebruik:
a) Verwervend stadium
b) Ondernemend stadium
c) Uitvoerend stadium
d) Reïntegratief stadium
e) Verantwoordelijk stadium
, 9. Mogelijkheden om formules en probleemoplossende strategieën te gebruiken, hoort
bij:
a) Contextuele component
b) Experimentele component
c) Componentiële component
d) Praktische component
10. Bij welke periode hoort de aanpassingsreactie?
a) Overgang basisschool naar middelbare school
b) Overgang middelbare school naar mbo, hbo of uni
c) Overgang mbo, hbo, uni naar echte baan
11. Welke hoort bij vroeg volwassenheid?
a) Generativiteit vs stagnatie
b) Identiteit vs identiteitsverwarring
c) Intimiteit vs isolement
d) Integriteit vs wanhoop
12. Wat is GEEN aangeboren psychologische basisbehoefte?
a) Autonomie
b) Competentie
c) Relationele verbondenheid
d) Verbintenis
13. De sociale klok is:
a) Vooral cultureel bepaald
b) Vooral biologisch bepaald
c) Vooral maatschappelijk bepaald
14. Dit is ook wel de allereerste ontmoeting:
a) Stimulusstadium
b) Waardestadium
c) Rolstadium
15. Wat is GEEN component van liefde?
a) Intimiteit
b) Passie
c) Beslissing
d) Verbintenis
e) Competentie
16. Wie zullen volgens Shaver meer inlevingsvermogen tonen en steun bieden?
a) Veilig gehechte personen
b) Vermijdend gehechte personen
c) Ambivalent gehechte personen
d) Angstig gehechte personen