Literatuurgeschiedenis vanaf 1880
Proefwerk : Analyseren gedicht
1. Vorm
• Dichtvorm
➡ Vrije dichtvorm
‣ Geen regels
➡ Vaste dichtvorm
‣ Bv. sonnet
‣ Regels
• Strofenbouw
➡ Strofen → opgebouwd uit verzen
➡ Zijn alle strofen even lang?
➡ Tellen ze evenveel verzen?
➡ Komen bepaalde strofen geheel of gedeeltelijk terug?
➡ Is er een circulaire opbouw? → begin en einde hetzelfde
• Versbouw
➡ Verzen → opgebouwd uit woorden
➡ Beklemtoonde lettergrepen
➡ Niet-beklemtoonde lettergrepen
• Metrum
➡ De maat
➡ Versvoet / versmaat
➡ Combinatie van beklemtoonde en niet-beklemtoonde lettergrepen
• Rijm
➡ Eindrijm
➡ Rijmschema
‣ Uitgezet in letters
‣ Grote letter → mannelijke verzen die eindigen met beklemtoonde
lettergrepen
‣ Kleine letter → vrouwelijke verzen die eindigen met niet-beklemtoonde
lettergrepen
‣ Regelmatige of onregelmatige
‣ Patronen
➡ Alliteratie = begin van het woord is hetzelfde
➡ Acconsonantie = rijmen van medeklinkers, klinkers niet
➡ Assonantie = rijmen van klinker, medeklinkers niet
➡ Anafoor = herhaling van woorden of woordgroepen, aan het begin of zelfde
plaats in regel
• Lay-out → bv. Ritmische typogra e bij dadaïsme
• Interpunctie → gebruik van bv. ?
2. Inhoud
• Titel
➡ Wat verteld de titel ons over het gedicht?
➡ Staat de titel in verband met de inhoud van het gedicht?
• Thema / inhoud → waarover gaat het gedicht (eventueel per strofe)?
fi
, • Inhoudelijke stijl guren
➡ Antithese = tegenstelling
➡ Paradox = schijnloze tegenstelling
➡ Beeldspraak = er wordt niet letterlijk gezegd wat er bedoelt wordt
➡ Pointe = verassend einde
➡ Understatement = drukt de mededeling minder sterk uit, maar werkt versterkend
met … e ect
➡ Personi catie = vorm van beeldspraak waarbij je levenloze zaken beschrijft alsof
het levende wezens zijn
➡ Metaforen = vorm van beeldspraak waarbij er sprake is van een onuitgesproken
vergelijking
➡ …
3. Context
• Stijlstroming
• Achtergrond periode → algemene leven van toen
• Biogra e dichter
Fin de siècle (1880 - 1914)
1. Wat voorafging
a) Romantiek
• 1800 - 1840
• Gevoel en verbeelding → centrale rol
• Belangrijke thema’s
➡ Verleden
➡ Schoonheid
➡ Natuur
➡ Liefde
➡ Geloof
➡ Mysterieus
➡ Griezelig
➡ …
• Escapisme, ontevredenheid
• Geen regels en normen
• Overdrijvingen
• Dramatiek
b) Realisme
• 1840 - 1880
• Alledaagse werkelijkheid
• Onverbloemde, objectieve weergave
• Fotogra sch beschrijven
• Beschaving en natuur
• Stereotypes
• Reactie op romantiek
• Objectief
• Lange beschrijvingen
• ‘Documentaire stijl’
fifififf fi
Proefwerk : Analyseren gedicht
1. Vorm
• Dichtvorm
➡ Vrije dichtvorm
‣ Geen regels
➡ Vaste dichtvorm
‣ Bv. sonnet
‣ Regels
• Strofenbouw
➡ Strofen → opgebouwd uit verzen
➡ Zijn alle strofen even lang?
➡ Tellen ze evenveel verzen?
➡ Komen bepaalde strofen geheel of gedeeltelijk terug?
➡ Is er een circulaire opbouw? → begin en einde hetzelfde
• Versbouw
➡ Verzen → opgebouwd uit woorden
➡ Beklemtoonde lettergrepen
➡ Niet-beklemtoonde lettergrepen
• Metrum
➡ De maat
➡ Versvoet / versmaat
➡ Combinatie van beklemtoonde en niet-beklemtoonde lettergrepen
• Rijm
➡ Eindrijm
➡ Rijmschema
‣ Uitgezet in letters
‣ Grote letter → mannelijke verzen die eindigen met beklemtoonde
lettergrepen
‣ Kleine letter → vrouwelijke verzen die eindigen met niet-beklemtoonde
lettergrepen
‣ Regelmatige of onregelmatige
‣ Patronen
➡ Alliteratie = begin van het woord is hetzelfde
➡ Acconsonantie = rijmen van medeklinkers, klinkers niet
➡ Assonantie = rijmen van klinker, medeklinkers niet
➡ Anafoor = herhaling van woorden of woordgroepen, aan het begin of zelfde
plaats in regel
• Lay-out → bv. Ritmische typogra e bij dadaïsme
• Interpunctie → gebruik van bv. ?
2. Inhoud
• Titel
➡ Wat verteld de titel ons over het gedicht?
➡ Staat de titel in verband met de inhoud van het gedicht?
• Thema / inhoud → waarover gaat het gedicht (eventueel per strofe)?
fi
, • Inhoudelijke stijl guren
➡ Antithese = tegenstelling
➡ Paradox = schijnloze tegenstelling
➡ Beeldspraak = er wordt niet letterlijk gezegd wat er bedoelt wordt
➡ Pointe = verassend einde
➡ Understatement = drukt de mededeling minder sterk uit, maar werkt versterkend
met … e ect
➡ Personi catie = vorm van beeldspraak waarbij je levenloze zaken beschrijft alsof
het levende wezens zijn
➡ Metaforen = vorm van beeldspraak waarbij er sprake is van een onuitgesproken
vergelijking
➡ …
3. Context
• Stijlstroming
• Achtergrond periode → algemene leven van toen
• Biogra e dichter
Fin de siècle (1880 - 1914)
1. Wat voorafging
a) Romantiek
• 1800 - 1840
• Gevoel en verbeelding → centrale rol
• Belangrijke thema’s
➡ Verleden
➡ Schoonheid
➡ Natuur
➡ Liefde
➡ Geloof
➡ Mysterieus
➡ Griezelig
➡ …
• Escapisme, ontevredenheid
• Geen regels en normen
• Overdrijvingen
• Dramatiek
b) Realisme
• 1840 - 1880
• Alledaagse werkelijkheid
• Onverbloemde, objectieve weergave
• Fotogra sch beschrijven
• Beschaving en natuur
• Stereotypes
• Reactie op romantiek
• Objectief
• Lange beschrijvingen
• ‘Documentaire stijl’
fifififf fi