BS06; Thema: B1 Bouw en weefsels plant
Noodzakelijke bronnen
Campbell Biology 9e editie Chapter 35: Plant structure, growth and
development: 35.1 t/m 35.4
Chapter 36: Resource acquisition and transport in
vascular plants
Chapter 30: Plant diversity II: The evolution of seed
plants: 30.4
Figure 22.9 en 30.13
BINAS 91, 81, 74
Achtergrond bronnen
Campbell Biology 9e editie Chapter 18: Regulation of gene expression: 18.1
Biologie voor jou 4 t/m 6 (nr 5: Thema 4 Hoofdstuk 2 -3 en…)
http://www.bioplek.org Bioplek:
http://biologiepagina.nl/4Havo/1Inleidingbiologie Practicum-probleemkaarten, bovenbouw practicum
/introdiffusie.htm opdrachten, animaties:
- Osmose,
http://www.dg- - Transport plant
c.org/grig/06/studie_transportstromen.pdf
Leerdoelen
De startbekwame docent in de groene sector kan:
1 Aan de hand van een tekening van de zaden het verschil aangeven tussen mono- en
dicotyle planten
2 De celdifferentiatie toelichten in een jonge plantenwortel en jonge groeiende scheut.
3 Aan de hand van een tekening of een model de belangrijkste weefseltypen in een
plantenstengel en een plantenwortel herkennen en beschrijven.
4 De student kan autotrofe en heterotrofe organismen noemen en kan de verschillen van
voedselvoorziening uitleggen voor deze organismen.
5 De student kan de opnameprocessen en actieve en passieve selectie daarbij voor een plant
toelichten en verklaren.
6 De student kan de functies en behoefte en behoefteverschillen van verschillende
voedingselementen voor planten aangeven
7 De student kan de werking van het intern transport bij planten aangeven, zowel opwaarts
als neerwaarts transport
De invloed van externe factoren zoals licht ,temperatuur en zwaartekracht op de groei en
ontwikkeling van planten toelichten.
BS06 Thema: B1 Bouw en weefsels plant Uitgewerkt
Leerdoelen
De startbekwame docent in de groene sector kan:
1 Aan de hand van een tekening van de zaden het verschil aangeven
tussen mono- en dicotyle planten
(antwoord uit Wikipedia, duidelijk en beknopt!:
Een zaadlob, kiemlob of cotyl kan gezien worden als het
eerste blaadje van eenkiemplant. Er
zijn eenzaadlobbige (monocotyle) en tweezaadlobbige (dicotyle)
planten. Soms bezit een plant meer dan twee zaadlobben, tot
zelfs een tiental bij de naaktzadigen (gymnospermen), waarvan
er veel naaldbomen zijn.
Zaadlobben kunnen, afhankelijk van de plantensoort, al na
enkele dagen na de kieming afvallen of meer dan een jaar aan de
plant blijven zitten. Als ze langer aan de plant blijven zitten,
worden er bladgroenkorrels gevormd en dragen ze
door assimilatie bij aan de verdere groei van de plant.
Noodzakelijke bronnen
Campbell Biology 9e editie Chapter 35: Plant structure, growth and
development: 35.1 t/m 35.4
Chapter 36: Resource acquisition and transport in
vascular plants
Chapter 30: Plant diversity II: The evolution of seed
plants: 30.4
Figure 22.9 en 30.13
BINAS 91, 81, 74
Achtergrond bronnen
Campbell Biology 9e editie Chapter 18: Regulation of gene expression: 18.1
Biologie voor jou 4 t/m 6 (nr 5: Thema 4 Hoofdstuk 2 -3 en…)
http://www.bioplek.org Bioplek:
http://biologiepagina.nl/4Havo/1Inleidingbiologie Practicum-probleemkaarten, bovenbouw practicum
/introdiffusie.htm opdrachten, animaties:
- Osmose,
http://www.dg- - Transport plant
c.org/grig/06/studie_transportstromen.pdf
Leerdoelen
De startbekwame docent in de groene sector kan:
1 Aan de hand van een tekening van de zaden het verschil aangeven tussen mono- en
dicotyle planten
2 De celdifferentiatie toelichten in een jonge plantenwortel en jonge groeiende scheut.
3 Aan de hand van een tekening of een model de belangrijkste weefseltypen in een
plantenstengel en een plantenwortel herkennen en beschrijven.
4 De student kan autotrofe en heterotrofe organismen noemen en kan de verschillen van
voedselvoorziening uitleggen voor deze organismen.
5 De student kan de opnameprocessen en actieve en passieve selectie daarbij voor een plant
toelichten en verklaren.
6 De student kan de functies en behoefte en behoefteverschillen van verschillende
voedingselementen voor planten aangeven
7 De student kan de werking van het intern transport bij planten aangeven, zowel opwaarts
als neerwaarts transport
De invloed van externe factoren zoals licht ,temperatuur en zwaartekracht op de groei en
ontwikkeling van planten toelichten.
BS06 Thema: B1 Bouw en weefsels plant Uitgewerkt
Leerdoelen
De startbekwame docent in de groene sector kan:
1 Aan de hand van een tekening van de zaden het verschil aangeven
tussen mono- en dicotyle planten
(antwoord uit Wikipedia, duidelijk en beknopt!:
Een zaadlob, kiemlob of cotyl kan gezien worden als het
eerste blaadje van eenkiemplant. Er
zijn eenzaadlobbige (monocotyle) en tweezaadlobbige (dicotyle)
planten. Soms bezit een plant meer dan twee zaadlobben, tot
zelfs een tiental bij de naaktzadigen (gymnospermen), waarvan
er veel naaldbomen zijn.
Zaadlobben kunnen, afhankelijk van de plantensoort, al na
enkele dagen na de kieming afvallen of meer dan een jaar aan de
plant blijven zitten. Als ze langer aan de plant blijven zitten,
worden er bladgroenkorrels gevormd en dragen ze
door assimilatie bij aan de verdere groei van de plant.