Standpunt: Iemand vindt iets, er wordt een stelling ingenomen.
Argument: Onderbouwing voor een standpunt.
- Feitelijk / waarderend: Feiten / mening - waardeoordeel
Tegenargument: Gericht tegen het standpunt.
Weerlegging: Reactie op het argument.
Onderschikkende argumentatie: Argumenten worden ondersteund door subargumenten.
Nevenschikkende argumentatie:
- (Onafhankelijk) Twee argumenten ondersteunen onafhankelijk van elkaar het standpunt.
- (Afhankelijk) Twee ondersteunende argumenten vormen in combinatie met elkaar het
standpunt.
Argumentatiestructuur:
*Blokjesschema = argumentatiestructuur
Argumentatieschema’s:
Argumentatie op basis van oorzaak en gevolg:
- Het argument is het gevolg, het standpunt is een oorzaak.
Argumentatie op basis van een kenmerk / eigenschap:
- Het argument is een kenmerk / eigenschap.
Argumentatie op basis van voor- en nadelen:
- De voordelen zijn belangrijker dan de nadelen. De voordelen wegen zwaarder dan de
nadelen.
Argumentatie op basis van voorbeelden:
- Het argument is een voorbeeld.
Argumentatie op basis van een vergelijking:
- Er wordt een vergelijking gemaakt en gekeken naar de overeenkomst.
- Argument is een vergelijking.
Argument op basis van autoriteit:
- Het argument heeft altijd gelijk (een bron, een persoon, etc.)
Drogredenen:
- Drogredenen zijn fouten in argumentatie, deze moet je kunnen herkennen in een tekst /
artikel.
➔ Onjuiste oorzaak-gevolg relatie;
◆ Iemand doet alsof er sprake van iets is, maar dat is er niet.
● VB: Sinds het verboden is om te appen op te fiets, zijn er minder dodelijke
verkeersongevallen geweest. Appen op de fiets zorgt dus voor veel doden.
➔ Onjuist beroep op autoriteit;
◆ Heeft de autoriteit er echt verstand van? Zo nee, dan is het een onjuist beroep op
autoriteit.
● VB: Het milieu kunnen we alleen nog maar redden als iedereen stopt met
plastic gebruiken! Dat zei Lubach gisteren nog tijdens zijn show.