[RUG] H6: Pragmatiek → hoe gebruiken mensen taal?
Compositionaliteit: Het idee dat de betekenis van een zin een optelsom is van de betekenissen
vd samenstellende woorden en de syntactische verbanden tussen die woorden.
Conversationele implicatuur: ‘Ga je mee naar bios?’ ‘Ik heb hockey’ → je interpreteert het als
‘nee ik kan niet’.
6.1:
Vb: ‘Wil je dat boek aangeven?’ ‘ja’ en het vervolgens niet doen.
Taalhandelingen: mbv taalvormen brengen mensen allerlei communicatieve handelingen tot
stand.
- Assertieve: waarmee spreker iets zegt over iets/iemand.
- Expressieve: spreker geeft uiting aan zijn gevoelens, waardeoordelen, emoties en
opvattingen. (begroetingen, bedanken etc)
- Directieve: spreker probeert iemand ertoe te brengen om iets wel of niet te doen.
- Commissieve: spreker verplicht zichzelf in de toekomst bepaalde handeling te
verrichten. (Ik beloof je…) Performatieve ww.
- Declaratieve: spreker brengt de wereld in overeenstemming met wat hij op dat moment
zegt (ik ontsla je hierbij…)
6.2:
Coöperatieprincipe/samenwerkingsbeginsel: bereidheid om de ander te interpreteren/
communiceren.
VB. ‘Zin om vanavond naar de bios te gaan?’ → ‘Ik heb training’.
Grice Maximes:
- (aanname van) Relevantie
- Kwaliteit (waarheid)
- Kwantiteit (zegt niet meer of minder)
- Helderheid
- [Beleefdheid]
6.3:
Conversatieanalyse: bestudeert procedures waarmee mensen zorgen voor een ordelijk en
duidelijk gesprek.
- Beurtwisselingen
- Anderselectie: ander de beurt geven
- Zelfselectie: zichzelf aanwijzen als volgende sprekere.
- Beurtwisselingssysteem:
- Regel 1 (Regel 2 is Regel 1 opnieuw doen)
a. Als Marloes een vraag stelt aan Ellen, heeft Ellen het meeste recht om te
praten.
b. Als a niet opgaat → wie het eerst spreekt, heeft de meeste rechten.
c. als a/b niet opgaat → huidige spreker kan doorpraten.
Compositionaliteit: Het idee dat de betekenis van een zin een optelsom is van de betekenissen
vd samenstellende woorden en de syntactische verbanden tussen die woorden.
Conversationele implicatuur: ‘Ga je mee naar bios?’ ‘Ik heb hockey’ → je interpreteert het als
‘nee ik kan niet’.
6.1:
Vb: ‘Wil je dat boek aangeven?’ ‘ja’ en het vervolgens niet doen.
Taalhandelingen: mbv taalvormen brengen mensen allerlei communicatieve handelingen tot
stand.
- Assertieve: waarmee spreker iets zegt over iets/iemand.
- Expressieve: spreker geeft uiting aan zijn gevoelens, waardeoordelen, emoties en
opvattingen. (begroetingen, bedanken etc)
- Directieve: spreker probeert iemand ertoe te brengen om iets wel of niet te doen.
- Commissieve: spreker verplicht zichzelf in de toekomst bepaalde handeling te
verrichten. (Ik beloof je…) Performatieve ww.
- Declaratieve: spreker brengt de wereld in overeenstemming met wat hij op dat moment
zegt (ik ontsla je hierbij…)
6.2:
Coöperatieprincipe/samenwerkingsbeginsel: bereidheid om de ander te interpreteren/
communiceren.
VB. ‘Zin om vanavond naar de bios te gaan?’ → ‘Ik heb training’.
Grice Maximes:
- (aanname van) Relevantie
- Kwaliteit (waarheid)
- Kwantiteit (zegt niet meer of minder)
- Helderheid
- [Beleefdheid]
6.3:
Conversatieanalyse: bestudeert procedures waarmee mensen zorgen voor een ordelijk en
duidelijk gesprek.
- Beurtwisselingen
- Anderselectie: ander de beurt geven
- Zelfselectie: zichzelf aanwijzen als volgende sprekere.
- Beurtwisselingssysteem:
- Regel 1 (Regel 2 is Regel 1 opnieuw doen)
a. Als Marloes een vraag stelt aan Ellen, heeft Ellen het meeste recht om te
praten.
b. Als a niet opgaat → wie het eerst spreekt, heeft de meeste rechten.
c. als a/b niet opgaat → huidige spreker kan doorpraten.