1. De student beschrijft het doel en de doelgroep van de volgende tests en
onderzoeksmiddelen:
a. AAT
i. Doel
1. Vaststellen wel/geen afasie
2. Vastellen van de aard en ernst van de afasie
3. Syndroomclassificatie
4. Beoordeling verloop van de afasie bij individuele patiënt
ii. Doelgroep
1. afasiepatiënten
b. BBT
i. Doel
1. Diagnosticeren van lichte woordvindingsproblemen
ii. Doelgroep
1. Mensen met een hersenbeschadiging
c. SAT
i. Doel
1. Inzicht krijgen in de semantische verwerking (oftewel: een visuele of
verbale semantische stoornis vaststellen)
ii. Doelgroep
1. Afasiepatiënten
2. Mensen met dementie van het type Alzheimer
d. ANTAT
i. Doel
1. Meten van verbaal communicatieve vaardigheden van
afasiepatiënten in alledaagse situaties
ii. Doelgroep
1. afasiepatiënten
e. Scenario test
i. Doel
1. Meet de communicatieve vaardigheden van afasiepatiënten in alle
beschikbare communicatiekanalen. Op basis van de scenariotest kan
een communicatieadvies gegeven worden aan de omgeving van de
patiënt.
ii. Doelgroep
1. Patiënten met een matige tot ernstige niet-vloeiende afasie, die voor
een belangrijk deel afhankelijk zijn van andere communicatiekanalen
dan spreken
f. Screeling
i. Doel
1. Vaststellen wel/geen afasie
2. Stoornissen op verschillende linguïstische niveaus vaststellen
ii. Doelgroep
1. Afasiepatiënten
g. PALPA
i. Doel
1. Het onderzoeken van het taalverwerkingsvermogen van
afasiepatiënten op woordniveau