Hoofdstuk 7, Tijd van pruiken en revoluties (1700-1800)
7.1
KA: Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. (verlicht denken op
het gebied van: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen).
De wetenschappelijke revolutie werd opgevolgd door de verlichting. De verlichting is een
beweging van mensen die het gebruik van het verstand willen bevorderen.
Religie: kritiek op de kerk, God verricht geen wonderen→ in strijd met natuurwetten
Voltaire was geen atheïst, maar een deïst. → god heeft aarde gemaakt maar bemoeit zich er
daarna niet meer mee. Verlichtingsideaal is vrijheid.
Politiek: Locke’s soevereiniteit (hoogste macht). De macht komt van de burgers, niet van
God. Overheid moet mensenrechten beschermen: recht op leven, vrijheid en bezit. Wet
staat boven de staat.
Montesquieu’s driemachtenleer(trias politica) → wetgevende, uitvoerende rechtsprekende
macht moeten gescheiden zijn.
Rousseau’s volkssoevereiniteit → burgers geven hun soevereiniteit aan de
volksvergadering. Overheid voert wil van de burgers uit.
Sociale verhoudingen: Rousseau - Wat is de oorsprong van de ongelijkheid onder de
mensen en berust zij op een natuurwet? Kritiek op standensamenleving → meritocratie.
De mens is van nature goed maar die goedheid wordt bedorven door sociale verhoudingen.
Verlichtingsideaal is gelijkheid.
Economie: Adam Smith - wealth of nations.
Laisser Faire → zo min mogelijk inmenging van de overheid.
onzichtbare hand → collectieve welvaart.
Mensen handelen in eigen belang en daarmee in het algemeen belang. Verlichtingsideaal is
vrijheid.
Essentie wetenschappelijke revolutie
- afscheid van klassiek wereldbeeld
- ontdekking van regelmatigheden in natuurverschijnselen
- onderzoek op basis van waarneming
- het verstand heeft onbegrensde mogelijkheden
De WR is de wegverbreider voor de verlichting.
De idealen van de verlichting zijn:
- vrijheid
- gelijkheid
- volkssoevereiniteit (volk heeft hoogste macht)
7.1
KA: Rationeel optimisme en verlicht denken dat werd toegepast op alle terreinen van de
samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen. (verlicht denken op
het gebied van: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen).
De wetenschappelijke revolutie werd opgevolgd door de verlichting. De verlichting is een
beweging van mensen die het gebruik van het verstand willen bevorderen.
Religie: kritiek op de kerk, God verricht geen wonderen→ in strijd met natuurwetten
Voltaire was geen atheïst, maar een deïst. → god heeft aarde gemaakt maar bemoeit zich er
daarna niet meer mee. Verlichtingsideaal is vrijheid.
Politiek: Locke’s soevereiniteit (hoogste macht). De macht komt van de burgers, niet van
God. Overheid moet mensenrechten beschermen: recht op leven, vrijheid en bezit. Wet
staat boven de staat.
Montesquieu’s driemachtenleer(trias politica) → wetgevende, uitvoerende rechtsprekende
macht moeten gescheiden zijn.
Rousseau’s volkssoevereiniteit → burgers geven hun soevereiniteit aan de
volksvergadering. Overheid voert wil van de burgers uit.
Sociale verhoudingen: Rousseau - Wat is de oorsprong van de ongelijkheid onder de
mensen en berust zij op een natuurwet? Kritiek op standensamenleving → meritocratie.
De mens is van nature goed maar die goedheid wordt bedorven door sociale verhoudingen.
Verlichtingsideaal is gelijkheid.
Economie: Adam Smith - wealth of nations.
Laisser Faire → zo min mogelijk inmenging van de overheid.
onzichtbare hand → collectieve welvaart.
Mensen handelen in eigen belang en daarmee in het algemeen belang. Verlichtingsideaal is
vrijheid.
Essentie wetenschappelijke revolutie
- afscheid van klassiek wereldbeeld
- ontdekking van regelmatigheden in natuurverschijnselen
- onderzoek op basis van waarneming
- het verstand heeft onbegrensde mogelijkheden
De WR is de wegverbreider voor de verlichting.
De idealen van de verlichting zijn:
- vrijheid
- gelijkheid
- volkssoevereiniteit (volk heeft hoogste macht)