Planten
Elke plantensoort heeft voorkeur voor een bepaalde groeiplaats. Die voorkeur wordt bepaald door
klimaatfactoren: veel of weinig licht, veel of weinig water, hoge of lage
temperatuur en schommelingen in temperatuur.
De klimaatfactoren kunnen ook op korte afstand erg verschillen. Zelfs in
een sloot, als de ene oever volop in de zon ligt, terwijl de andere oever
vooral schaduw krijgt. Deze plaatselijke verschillen noem je microklimaat.
Fotosynthese: koolstofdioxide + water + zonlicht = glucose + zuurstof
Verbranding: glucose + zuurstof = water + koolstofdioxide + energie
Varens hebben vaatbundels, mossen niet.
De naam zegt het al: net als bacteriën bestaan de eencellige uit een cel. Een voorbeeld van een
eencellige is het pantoffeldiertje.
De naaktzadigen heten zo omdat de zaden niet in een vrucht zitten. Naaktzadigen hebben geen
vruchten of bloemen (dennenappels).
Een vrucht bedekt een of meer zaden. Hier komt de naam bedektzadige vandaan. Deze hebben
meestal ook een bloem (aardbei).
De kleurstof van een bloem zit in de vacuole.
Planten met dikkere bladeren groeien beter in een droge leefomgeving.
Vetplanten leven het beste is een droge leefomgeving.
Parasitaire relatie is een relatie tussen een plant en een schimmel.
Signaal voor bladverlies bij bomen en planten komt door de korte daglengte en de lage temperatuur.
Mitose: is een gewone celdeling.
Meiose: is een celdeling van geslachtscellen.
Een gewone cel is bijvoorbeeld 40 chromosomen. Een geslachtscel heeft dan 20 chromosomen.
Door wortels, stengels en bladeren lopen vaatbundels. Hierdoor worden stoffen door de plant
vervoerd.
, Wortels hebben 3 functies:
- Plant vasthouden in de bodem
- Water en mineralen opnemen
- Reservevoedsel opslaan
Stengels hebben 2 functies:
- Ze zorgen voor stevigheid en transport
- Ze slaan reservevoedsel op
Bladeren hebben 3 functies:
- Ze zorgen voor fotosynthese
- Waterverdamping via de huidmondjes
- Zuurstof en koolstofdioxide gaan het blad in en uit
Bastvaten gaan naar beneden. (vervoeren mineralen en assimilatie producten van de bladeren naar
andere delen van de plant).
Houtvaten gaan omhoog. (vervoeren water en mineralen van de wortels, door de stengls tot aan de
bladeren, bloemen en knoppen).
Jaarringen in een boom zijn niet altijd even dik, omdat een boom niet elk jaar evenveel groeit. De
dikte van een jaarring verteld hoe snel de boom groeit.
Dieren
Inwendige bevruchting is in de buik.
Uitwendige bevruchting is door middel van eitjes leggen.
Alle dieren bij elkaar vormen het dierenrijk. Bijna alle dieren leven alleen. Dat heet solitair. Het
gebied dat een dier bewoont, heet zijn territorium.
In tegenstelling tot planten hebben dieren andere organismen nodig als voedsel. Dierlijke cellen
hebben geen bladgroenkorrels en zijn dus niet in staat tot fotosynthese.
Ongewervelde dieren: dieren zonder een wervelkolom.
- Sponzen
o Dieren zonder echte organen
o Zijn echte zeedieren
- Neteldieren
o De bekendste neteldieren zijn kwallen, koraal en zeeanemonen
o Worden ook wel holtedieren genoemd
- Wormen
o Voorbeelden hiervan zijn de regenworm, de bloedzuiger en de lintworm
- Weekdieren
o Weekdieren hebben een week een zacht lichaam
o Oesters en inktvissen behoren tot deze groep
- Geleedpotigen
o Dit is de grootste en meest diverse groep van alle dieren
o Insecten, spinachtigen, duizendpoten en kreeftachtigen
- Stekelhuidigen
o Zeesterren en zee-egels
Elke plantensoort heeft voorkeur voor een bepaalde groeiplaats. Die voorkeur wordt bepaald door
klimaatfactoren: veel of weinig licht, veel of weinig water, hoge of lage
temperatuur en schommelingen in temperatuur.
De klimaatfactoren kunnen ook op korte afstand erg verschillen. Zelfs in
een sloot, als de ene oever volop in de zon ligt, terwijl de andere oever
vooral schaduw krijgt. Deze plaatselijke verschillen noem je microklimaat.
Fotosynthese: koolstofdioxide + water + zonlicht = glucose + zuurstof
Verbranding: glucose + zuurstof = water + koolstofdioxide + energie
Varens hebben vaatbundels, mossen niet.
De naam zegt het al: net als bacteriën bestaan de eencellige uit een cel. Een voorbeeld van een
eencellige is het pantoffeldiertje.
De naaktzadigen heten zo omdat de zaden niet in een vrucht zitten. Naaktzadigen hebben geen
vruchten of bloemen (dennenappels).
Een vrucht bedekt een of meer zaden. Hier komt de naam bedektzadige vandaan. Deze hebben
meestal ook een bloem (aardbei).
De kleurstof van een bloem zit in de vacuole.
Planten met dikkere bladeren groeien beter in een droge leefomgeving.
Vetplanten leven het beste is een droge leefomgeving.
Parasitaire relatie is een relatie tussen een plant en een schimmel.
Signaal voor bladverlies bij bomen en planten komt door de korte daglengte en de lage temperatuur.
Mitose: is een gewone celdeling.
Meiose: is een celdeling van geslachtscellen.
Een gewone cel is bijvoorbeeld 40 chromosomen. Een geslachtscel heeft dan 20 chromosomen.
Door wortels, stengels en bladeren lopen vaatbundels. Hierdoor worden stoffen door de plant
vervoerd.
, Wortels hebben 3 functies:
- Plant vasthouden in de bodem
- Water en mineralen opnemen
- Reservevoedsel opslaan
Stengels hebben 2 functies:
- Ze zorgen voor stevigheid en transport
- Ze slaan reservevoedsel op
Bladeren hebben 3 functies:
- Ze zorgen voor fotosynthese
- Waterverdamping via de huidmondjes
- Zuurstof en koolstofdioxide gaan het blad in en uit
Bastvaten gaan naar beneden. (vervoeren mineralen en assimilatie producten van de bladeren naar
andere delen van de plant).
Houtvaten gaan omhoog. (vervoeren water en mineralen van de wortels, door de stengls tot aan de
bladeren, bloemen en knoppen).
Jaarringen in een boom zijn niet altijd even dik, omdat een boom niet elk jaar evenveel groeit. De
dikte van een jaarring verteld hoe snel de boom groeit.
Dieren
Inwendige bevruchting is in de buik.
Uitwendige bevruchting is door middel van eitjes leggen.
Alle dieren bij elkaar vormen het dierenrijk. Bijna alle dieren leven alleen. Dat heet solitair. Het
gebied dat een dier bewoont, heet zijn territorium.
In tegenstelling tot planten hebben dieren andere organismen nodig als voedsel. Dierlijke cellen
hebben geen bladgroenkorrels en zijn dus niet in staat tot fotosynthese.
Ongewervelde dieren: dieren zonder een wervelkolom.
- Sponzen
o Dieren zonder echte organen
o Zijn echte zeedieren
- Neteldieren
o De bekendste neteldieren zijn kwallen, koraal en zeeanemonen
o Worden ook wel holtedieren genoemd
- Wormen
o Voorbeelden hiervan zijn de regenworm, de bloedzuiger en de lintworm
- Weekdieren
o Weekdieren hebben een week een zacht lichaam
o Oesters en inktvissen behoren tot deze groep
- Geleedpotigen
o Dit is de grootste en meest diverse groep van alle dieren
o Insecten, spinachtigen, duizendpoten en kreeftachtigen
- Stekelhuidigen
o Zeesterren en zee-egels