Nederlandse Overheid
,Inhoud
1.1 Inleiding............................................................................................................................................3
2.2 Geschiedenis van bestuur.................................................................................................................3
2.3.1 Betekenis van het begrip ‘’overheid’’............................................................................................5
2.3.2 kenmerken van de Nederlandse overheid.....................................................................................5
2.5 Het begrip ‘beleid’............................................................................................................................6
H3.1 Inleiding..........................................................................................................................................7
H3.1 Systeembenadering........................................................................................................................7
H3.2.1 Het model................................................................................................................................7
H3.2.2 Het werkmodel........................................................................................................................8
H3.2.3 Het nut van het systeemmodel...............................................................................................8
H3.2.4 Systemen zijn met elkaar verbonden......................................................................................8
H3.2.5 Vereenvoudiging of indikking..................................................................................................8
H3.2.6 Het veldproces is een keuzeproces.........................................................................................9
H3.2.7 De omgeving: de contingentie- en de interorganisatietheorie................................................9
H3.3.1 Inleiding...................................................................................................................................9
H3.3.2 De werking van de procesanalyse.........................................................................................10
H4.1 Inleiding........................................................................................................................................10
H4.2 Agendering...................................................................................................................................10
H4.2.1 De maatschappelijke agenda.................................................................................................10
H4.2.2 De politieke agenda...............................................................................................................11
, Profiel van de overheid H1 en H2
1.1 Inleiding
Iedereen krijgt op gezette tijden te maken met de overheid. De overheid grijpt in onze maatschappij
diep in. Maar de overheid is niet altijd te begrijpen of te volgen.
De discipline die de overheid centraal stelt heet bestuurskunde (= de kunde van het besturen). De
bestuurders van de overheid zijn wethouders (gemeente), de gedeputeerde (provincie) of de
ministers (rijksoverheid). In de letterlijke betekenis van bestuurskunde staat de invalshoek van het
bestuur centraal.
Als er in Nederland over bestuurskunde wordt gepraat heeft men het meestal over de discipline die
zich bezighoudt met de voorbereiding, de bepaling, de uitvoering en de evaluatie van
overheidsbeleid. Bestuurskunde gaat vaak over zaken die je zelf kunt waarnemen en die dan ook heel
interessant kunnen zijn.
Veel overheden passen hun organisatie aan zodat ze burgers beter kunnen helpen.
Ten eerste helpt bestuurskunde de overheid zelf om effectiever te werken en ten tweede helpt
bestuurskunde anderen om doelgerichter met een overheid om te gaan.
2.2 Geschiedenis van bestuur
De huidige staten en de wijze waarop de staatsorganisatie (overheid) wordt vormgegeven zijn het
resultaat van een geschiedenis van duizenden jaren.
Je kan van een ‘’staat’’ spreken als er wordt voldaan aan 3 criteria ’s:
- Er is sprake van een (afgegrensd) grondgebied;
- Het aanwezig zijn van een (geaccepteerd) bestuur gezag;
- Er moet een (onderscheiden) staatvolk zijn.
Soevereiniteit wil zeggen ‘’hoogste macht of gezag’’. De staat heeft namelijk als enigste organisatie of
entiteit de controle over de binnenlandse aangelegenheden.
Veel staten kennen twee pijlers die ten grondslag liggen aan de inrichting van hun bestuur: de
scheiding tussen kerk en staat en de scheiding van de drie machten.
De manier waarop ‘’de macht’’ wordt verdeeld, speelt een belangrijke rol bij de opbouw van een
staat.
Verschillende soorten samenlevingen:
- Samenlevingen op basis van gelijkheid: een voorbeeld hiervan is de jagers-
verzamelaarssamenleving. Leiderschap is een basis om macht uit te kunnen oefenen.
- Samenlevingen met rangorde: agrarische samenleving. Bezit is een basis voor macht.
- Samenlevingen met gelaagdheid: in een standensamenlevingen is de bevolking in
verschillende groepen of standen verdeeld.
In de westerse samenleving vormt de drie machten de basis van het staatsbestel. Montesqieu
beschreef de volgende drie machten (trias politica):
- De wetgevende macht
- De uitvoerende macht
- De rechterlijke macht