Les 7 Historische inleiding tot het recht.
VERLICHTING – MODERNE TIJD
1750
Samenleving veranderd
Voorlopers:
Justinianus
universeel recht: rede centraal,
deductief: vertrekken vanuit algemene bepalingen (niet doden, …) → en
van daaruit specifieke regels afleiden
rede: natuurrecht → De natuur van de mens is universeel en niet-
goddelijk
Duitsers, ook Domat (Frankrijk)
Wetgeving beperkt:
– A – 1100: uitgangspunt: Het oude is goed, tot de maatschappij
veranderd: wetgeving bestaat niet echt → wel rechtspraak
– B Pauselijke revolutie
-C wetgeving in de vroegmoderne periode (1500 – 1800): Absolutisme
(Frankrijk, Zuid-Nederland)
A) – 1100 oud is goed
– Rechtspraak: nieuwe regels vaststellen
– Beperkte rol van de wetgeving: tot aan de Karolingische renaissance zijn het
eerder beleidsverklaringen. Voor iedereen geldend. Het is niet de bedoeling om
de samenleving vorm te geven, hoofdzakelijk bedoeld om de macht van de
vorst te etaleren.
– weinig wetten
– in feodaliteit bouwt men erop voort, er is weinig vernieuwing
– Het idee van EWA → continuïteit is belangrijk
B) Pauselijke revolutie
– opnieuw lezen van de digesten, CIC vanaf de late 11de eeuw
Investituurstrijd: benoemingsrecht van bisschoppen → heeft ook gevolgen voor
de interne kerkelijke organisatie → lukt enkel door wetgeving → decretalen:
aanvankelijk zijn dit beslissingen in rechtszaken. 11de -13de eeuw: sterke
kerkelijke organisatie
– De wetgeving buiten de kerk was beperkt: niet algemeen, niet openlijk
(privileges, vaak lobbying), niet vernieuwend
– Beperkt toepassingsgebied: begin van de standenmaatschappij: geen
gelijkheid
C) Wetgeving in de vroegmoderne periode (1500 – 1800): absolutisme
→ vorsten krijgen veel macht → vloeit voort uit machtsverhouding tussen de
Engelse en de Franse koning: 100-jarige oorlog → einde: De Franse koning
bouwt de samenleving weer op en maakt van het momentum gebruik om zijn
macht te vestigen → heffen van belastingen → uitbouw leger en administratie
→ absolutisme: macht bij één figuur.
→ wetgeving wordt belangrijker
VERLICHTING – MODERNE TIJD
1750
Samenleving veranderd
Voorlopers:
Justinianus
universeel recht: rede centraal,
deductief: vertrekken vanuit algemene bepalingen (niet doden, …) → en
van daaruit specifieke regels afleiden
rede: natuurrecht → De natuur van de mens is universeel en niet-
goddelijk
Duitsers, ook Domat (Frankrijk)
Wetgeving beperkt:
– A – 1100: uitgangspunt: Het oude is goed, tot de maatschappij
veranderd: wetgeving bestaat niet echt → wel rechtspraak
– B Pauselijke revolutie
-C wetgeving in de vroegmoderne periode (1500 – 1800): Absolutisme
(Frankrijk, Zuid-Nederland)
A) – 1100 oud is goed
– Rechtspraak: nieuwe regels vaststellen
– Beperkte rol van de wetgeving: tot aan de Karolingische renaissance zijn het
eerder beleidsverklaringen. Voor iedereen geldend. Het is niet de bedoeling om
de samenleving vorm te geven, hoofdzakelijk bedoeld om de macht van de
vorst te etaleren.
– weinig wetten
– in feodaliteit bouwt men erop voort, er is weinig vernieuwing
– Het idee van EWA → continuïteit is belangrijk
B) Pauselijke revolutie
– opnieuw lezen van de digesten, CIC vanaf de late 11de eeuw
Investituurstrijd: benoemingsrecht van bisschoppen → heeft ook gevolgen voor
de interne kerkelijke organisatie → lukt enkel door wetgeving → decretalen:
aanvankelijk zijn dit beslissingen in rechtszaken. 11de -13de eeuw: sterke
kerkelijke organisatie
– De wetgeving buiten de kerk was beperkt: niet algemeen, niet openlijk
(privileges, vaak lobbying), niet vernieuwend
– Beperkt toepassingsgebied: begin van de standenmaatschappij: geen
gelijkheid
C) Wetgeving in de vroegmoderne periode (1500 – 1800): absolutisme
→ vorsten krijgen veel macht → vloeit voort uit machtsverhouding tussen de
Engelse en de Franse koning: 100-jarige oorlog → einde: De Franse koning
bouwt de samenleving weer op en maakt van het momentum gebruik om zijn
macht te vestigen → heffen van belastingen → uitbouw leger en administratie
→ absolutisme: macht bij één figuur.
→ wetgeving wordt belangrijker