Basis informatie
Variable view: hier kan informatie over de variabelen worden ingevoerd en worden bekeken.
Data view: hier kan de waarde van de variabelen worden ingevoerd en bekeken, hier voeg je
ook de data toe.
Variabelen kunnen veranderen.
Wel een variabele: prijs, voorraad
Niet een variabele: kaas, chips
‘name’ = hier kan je de variabele een korte naam zonder spaties geven.
‘label’ = hier zet je de omschrijving van je variabele neer.
‘type’ = hier zet je neer wat voor type variabele het is.
String = woorden/tekst
Numeric = getallen
‘width’ = aantal karakters (letters)
shrek = 5; chocolat = 8
.sav = data file
.spv = output file
De naam die je aan een variabele geeft mag niet beginnen met een getal, mogen geen spaties
en geen @, #, % bevatten.
Coderen van antwoorden = elk antwoord vervangen door een getal, dat getal koppel je
vervolgens aan een label.
- Scheelt tijd
- Hierdoor minder fouten
Codeboek = lijst met afspraken over codes.
Coderen doe je voornamelijk bij categorische variabelen (nominaal/ordinaal), want dat zijn
vaak woorden/zinnen.
Excel bestanden importeren naar SPSS.
- Download het Excel bestand, maar open het niet.
- Ga naar jouw Downloads op jouw computer
- Open Windows Explorer via Citrix
- Houd de schermen van Downloads en Windows Explorer naast elkaar op het scherm
- Bij Downloads klik je op je rechter muisknop wanneer je op het gedownloade bestand
staat, vervolgens klik je op kopiëren (copy)
- In het scherm van Windows Explorer open je het mapje van je U-schijf
- Vervolgens plak (paste) je het document op de U-schijf
- Open vervolgens SPSS
- Ga naar: File > Open > Data
- Selecteer: ‘Excel files’ of ‘All files’
- Nu staat jouw gedownloade Excel bestand in het mapje waar je hem hebt opgeslagen
op je U-schijf
- Klik op het document en op ‘open’
,Correlationeel 1
C1a Visualisaties
Chart Builder = hiermee kan je grafieken en diagrammen maken
- Dataset openen in SPSS (File > Open > Data)
- Bovenin: Graphs > Chart Builder > OK
- Bijv. Staafdiagram slepen naar het witte vak
- Variabelen uit linkerrij sleep je naar de X-as (X-AVIS) > OK
- Let op: voordat je op OK drukt ziet jouw grafiek/diagram er anders uit (nog niet
goed/volledig) dan wanneer je op OK drukt.
Een cirkel-/staafdiagram gebruik je vooral op nomiaal en ordinaal meetniveau.
’inkomen’ is op ratio niveau, want er is een absoluut nulpunt
’kleur’ kan bijvoorbeeld wel in een cirkel-/staafdiagram; groen, geel, rood, blauw, etc.
‘inkomen’ kan je beter visualiseren met een histogram.
C1b Frequentietabellen
In frequentietabellen kan je zien hoe vaak iets voorkomt (frequentie).
- Dataset openen in SPSS (File > Open > Data)
- Bovenin: Analyze > Descriptive Statistics > Frequencies
- Voeg een variabele toe door de variabele te selecteren en vervolgens op het pijltje te
klikken ()
Percentage lees je af onder ‘percent’.
‘Cumulative Percent’ = alles opgeteld tot dan
Percent Cumulative Percent
1 1
2 3 (1+2)
3 6 (3+3)
4 10 (6+4)
5 15 (10+5)
Wanneer gebruik je frequentietabellen?
Als je specifieke aantallen wil zien en wanneer het een categorische variabele is (op
nominaal/ordinaal meetniveau).
Histogram: bij meer dan 50 observaties, om het meeste overzicht te krijgen.
‘Valid Percent’ = percentage gecorrigeerd van ontbrekende (missing) data.
C1c Beschrijvende Statistieken
Twee manieren:
- Descriptive Statistics
- Frequencies
Opvragen van beschrijvende statistieken:
, - Bovenin: Analyse > Descriptive Statistics > Descriptives
- Variabele selecteren waarvoor je beschrijvende statistiek wil berekenen (maar nog
niet op OK drukken)
- Options > aanklikken van mean (gemiddelde), std. deviation (standaarddeviatie),
minimum, maximum
- Continue > OK
Mediaan = middelste getal
Modus = het meest voorkomende getal
Mediaan of modus genereren (met Frequencies):
- Analyse > Descriptive Statistics > Descriptives
- Variabele selecteren (nog niet op OK drukken)
- Statistics > Central Tendency: mediaan (median) en modus (mode) aanklikken
- Continue > OK
Als de mediaan bijvoorbeeld 14 is, dan kan je zeggen dat iets bijvoorbeeld 14% gestegen is.
Minimum = minste stijging
Maximum = meeste stijging
C1d
Geclusterde staafdiagram (clustered bar) = staafdiagram van twee categorische variabelen
(nominaal/ordinaal). De tweede variabele zet je in het vakje ‘cluster on X’, hierdoor geef je
aan op basis van welke variabele je wilt groeperen (=clusteren).
op X-as ‘type onderwijs’ en als tweede variabele ‘geslacht’.
Boxplot = een boxplot kan in sommige gevallen erg handig zijn,
want deze toont je wat zowel het centrum als de spreiding van de
data is.
x-as: hier staat de categorische variabele
y-as: hier staat de variabele waarvan je het centrum en de variatie
wil zien (interval/ratio)
als je twee variabelen op de x-as wil, dan kies je weer voor
‘clustered boxplot’
Een uitschieter van de data (data die ‘afwijkt’ van de andere data)
ziet er in een boxplot zo uit (°):
Spreidingsdiagram (puntenwolk):
- Graphs > Chart Builder
- Spreidingsdiagram naar witte vak slepen
- Variabele naar x-as en y-as slepen
stijgend = positief r > 0 (de correlatie is groter dan 0, dus +0.1 t/m +1)
dalend = negatief r < 0 (de correlatie is kleiner dan 0, dus -0.1 t/m -1)
geen relatie = r ≈ 0 (de correlatie is ongeveer 0)
C1e
Als een vragenlijst gebruik heeft gemaakt van iemands geboortejaar, dan moeten we dat
omrekenen naar leeftijd.
Bijv. onderzoek in 2005; 2005 – geboortejaar
Variable view: hier kan informatie over de variabelen worden ingevoerd en worden bekeken.
Data view: hier kan de waarde van de variabelen worden ingevoerd en bekeken, hier voeg je
ook de data toe.
Variabelen kunnen veranderen.
Wel een variabele: prijs, voorraad
Niet een variabele: kaas, chips
‘name’ = hier kan je de variabele een korte naam zonder spaties geven.
‘label’ = hier zet je de omschrijving van je variabele neer.
‘type’ = hier zet je neer wat voor type variabele het is.
String = woorden/tekst
Numeric = getallen
‘width’ = aantal karakters (letters)
shrek = 5; chocolat = 8
.sav = data file
.spv = output file
De naam die je aan een variabele geeft mag niet beginnen met een getal, mogen geen spaties
en geen @, #, % bevatten.
Coderen van antwoorden = elk antwoord vervangen door een getal, dat getal koppel je
vervolgens aan een label.
- Scheelt tijd
- Hierdoor minder fouten
Codeboek = lijst met afspraken over codes.
Coderen doe je voornamelijk bij categorische variabelen (nominaal/ordinaal), want dat zijn
vaak woorden/zinnen.
Excel bestanden importeren naar SPSS.
- Download het Excel bestand, maar open het niet.
- Ga naar jouw Downloads op jouw computer
- Open Windows Explorer via Citrix
- Houd de schermen van Downloads en Windows Explorer naast elkaar op het scherm
- Bij Downloads klik je op je rechter muisknop wanneer je op het gedownloade bestand
staat, vervolgens klik je op kopiëren (copy)
- In het scherm van Windows Explorer open je het mapje van je U-schijf
- Vervolgens plak (paste) je het document op de U-schijf
- Open vervolgens SPSS
- Ga naar: File > Open > Data
- Selecteer: ‘Excel files’ of ‘All files’
- Nu staat jouw gedownloade Excel bestand in het mapje waar je hem hebt opgeslagen
op je U-schijf
- Klik op het document en op ‘open’
,Correlationeel 1
C1a Visualisaties
Chart Builder = hiermee kan je grafieken en diagrammen maken
- Dataset openen in SPSS (File > Open > Data)
- Bovenin: Graphs > Chart Builder > OK
- Bijv. Staafdiagram slepen naar het witte vak
- Variabelen uit linkerrij sleep je naar de X-as (X-AVIS) > OK
- Let op: voordat je op OK drukt ziet jouw grafiek/diagram er anders uit (nog niet
goed/volledig) dan wanneer je op OK drukt.
Een cirkel-/staafdiagram gebruik je vooral op nomiaal en ordinaal meetniveau.
’inkomen’ is op ratio niveau, want er is een absoluut nulpunt
’kleur’ kan bijvoorbeeld wel in een cirkel-/staafdiagram; groen, geel, rood, blauw, etc.
‘inkomen’ kan je beter visualiseren met een histogram.
C1b Frequentietabellen
In frequentietabellen kan je zien hoe vaak iets voorkomt (frequentie).
- Dataset openen in SPSS (File > Open > Data)
- Bovenin: Analyze > Descriptive Statistics > Frequencies
- Voeg een variabele toe door de variabele te selecteren en vervolgens op het pijltje te
klikken ()
Percentage lees je af onder ‘percent’.
‘Cumulative Percent’ = alles opgeteld tot dan
Percent Cumulative Percent
1 1
2 3 (1+2)
3 6 (3+3)
4 10 (6+4)
5 15 (10+5)
Wanneer gebruik je frequentietabellen?
Als je specifieke aantallen wil zien en wanneer het een categorische variabele is (op
nominaal/ordinaal meetniveau).
Histogram: bij meer dan 50 observaties, om het meeste overzicht te krijgen.
‘Valid Percent’ = percentage gecorrigeerd van ontbrekende (missing) data.
C1c Beschrijvende Statistieken
Twee manieren:
- Descriptive Statistics
- Frequencies
Opvragen van beschrijvende statistieken:
, - Bovenin: Analyse > Descriptive Statistics > Descriptives
- Variabele selecteren waarvoor je beschrijvende statistiek wil berekenen (maar nog
niet op OK drukken)
- Options > aanklikken van mean (gemiddelde), std. deviation (standaarddeviatie),
minimum, maximum
- Continue > OK
Mediaan = middelste getal
Modus = het meest voorkomende getal
Mediaan of modus genereren (met Frequencies):
- Analyse > Descriptive Statistics > Descriptives
- Variabele selecteren (nog niet op OK drukken)
- Statistics > Central Tendency: mediaan (median) en modus (mode) aanklikken
- Continue > OK
Als de mediaan bijvoorbeeld 14 is, dan kan je zeggen dat iets bijvoorbeeld 14% gestegen is.
Minimum = minste stijging
Maximum = meeste stijging
C1d
Geclusterde staafdiagram (clustered bar) = staafdiagram van twee categorische variabelen
(nominaal/ordinaal). De tweede variabele zet je in het vakje ‘cluster on X’, hierdoor geef je
aan op basis van welke variabele je wilt groeperen (=clusteren).
op X-as ‘type onderwijs’ en als tweede variabele ‘geslacht’.
Boxplot = een boxplot kan in sommige gevallen erg handig zijn,
want deze toont je wat zowel het centrum als de spreiding van de
data is.
x-as: hier staat de categorische variabele
y-as: hier staat de variabele waarvan je het centrum en de variatie
wil zien (interval/ratio)
als je twee variabelen op de x-as wil, dan kies je weer voor
‘clustered boxplot’
Een uitschieter van de data (data die ‘afwijkt’ van de andere data)
ziet er in een boxplot zo uit (°):
Spreidingsdiagram (puntenwolk):
- Graphs > Chart Builder
- Spreidingsdiagram naar witte vak slepen
- Variabele naar x-as en y-as slepen
stijgend = positief r > 0 (de correlatie is groter dan 0, dus +0.1 t/m +1)
dalend = negatief r < 0 (de correlatie is kleiner dan 0, dus -0.1 t/m -1)
geen relatie = r ≈ 0 (de correlatie is ongeveer 0)
C1e
Als een vragenlijst gebruik heeft gemaakt van iemands geboortejaar, dan moeten we dat
omrekenen naar leeftijd.
Bijv. onderzoek in 2005; 2005 – geboortejaar