HS 1.1
Domesticatie proces waarmee de mens planten en dieren zodanig
van eigenschappen verandert zodat deze steeds meer aangepast
raken aan het leven dichtbij en in dienst van de mens.
Domesticatie geleidelijk proces:
1. Verzamelen wilde planten
2. Gebruik wilde planten rondom tijdelijke woonplaatsen
3. Plantensoorten aangepast aan verstoord en rijker milieu.
4. Mens schept gunstige groeivoorwaarden plantenteelt.
5. Mens onderneemt activiteiten om gewenste planten te
krijgen plantenteelt en plantenveredeling.
HS 1.2
Ad 4. Plantenteelt:
Voor 1500 n. Chr. Weinig gegevens
Na 1500 ontdekkingsreizen nieuwe gewassen.
Teler is “veredelaar”:
o Laat zijn gewassen bloeien
o Verzamelt zaad van de beste individuen voor het volgende jaar
o Houdt de beste lokale variëteiten over
Ad 5. Traditionele plantenveredling:
Selectie in het veld “vinden” van nieuwe vormen en variëteiten.
Plantenveredeling omvat alle menselijke activiteiten gericht op de productie van planten met een
betere erfelijke aanleg voor de voorziening in de menselijke behoeften.
1. Kweken “kwekersoog” gericht op verkrijgen nieuwe rassen.
2. Onderzoek:
a. Fundamenteel grondslagen van kweekwerk (WUR)
b. Toegepast bijv. verbeterde proeftechniek, efficiëntere selectiemethoden (PPO,
Proeftuin Zwaagdijk, veredelingsbedrijven).
HS 1.3
Rasbegrip ras is een groep van planten binnen een cultuurgewas:
Binnen een ‘cultuurgewas’
Waarin zij een niet verder te splitsen (1) onderscheidbare eenheid vormt
En die in haar karakteristieke eigenschappen (2)
Op de voor het gewas gebruikelijke wijze (3) constant reproduceerbaar is.
DUS-criteria Distinsct Uniform Stable.
Naamgeving binaire naamgeving.
1. Botanische naam geslachtsnaam + soortnaam
2. Commerciële naam raasaanduiding.
a. Mag geen Latijn zijn
b. Naam moet kort zijn
c. Geen naamgeving naar indeling van het plantenrijk
d. Moet in vele talen goed uit te spreken zijn.
e. Moet geldig gepubliceerd of wettelijk geregistreerd zijn.
Cultivar en variënteiten andere woorden voor ras.
Onderscheiding 4 rastypen:
, 1. Kloon
2. Lijn
3. Populatie ‘landras’ populatie planten die zich in bepaalde streek van nature heeft
gevormd onder invloed van daar heersende klimaat-, bodem, en bedrijfsomstandigheden en
waarop slechts een onzorgvuldige (grove) selectie is toegepast.
4. Hybride
HS 1.4
Veredelingsdoelen:
1. Opbrengst:
a. Raseffect
b. Bodemeffect
c. Klimaat effect
o Fysiologisch opbrengst potentieel meer ton/ha
o Hogere oogstindex oogstbaar product t.o.v. totale droge stofproductie.
o Gehalte aan eiwit/olie/suiker/gewenst inhoudsstof nemen af met stijgende
opbrengst.
2. Kwaliteit totaal aan eigenschappen van een product dat de mate van geschiktheid ervan
voor het beoogde gebruiksdoel bepaalt.
a. Wensen van de consument
b. Verwerkingskwaliteit
c. Voedings- of voederwaarde aanwezigheid gewenst componenten en afwezigheid
van of laag gehalte aan schadelijke bestanddelen.
Vaak negatieve correlatie met opbrengst.
3. Oogstzekerheid. Bedreigd door:
a. Biotische factoren resistentie tegen en ziekten en plagen. Deze kunnen zelf ook
resistent worden en is daarom erg moeilijk volledige resistentie niet te behalen,
partiële resistentie wel.
b. Abiotische factoren tolerantie vb. schot bij granen (belangrijk bij natte
oogstomstandigheden), kou tolerantie bij maïs, zouttolerantie bij bieten,
winterhardheid bij granen en droogtetolerantie bij veldbonen.
c. Fysiologische factoren te snel doorschieten kropsla, openspringen van peulen &
gelegerd gewas (granen) rijpt slecht en is moeilijk te oogsten.
Vaak positieve correlatie met opbrengst.
4. Oogsttijdstip vroege oogsten vanwege:
a. Primeurteelt vroeg oogsten omdat consument dan meer voor product wil betalen.
b. Twee teelten per jaar
c. Jaarrondteelt (temperatuur/daglengte gevoeligheid)
ontlopen ongunstige opbrengst
Vaak negatieve correlatie met opbrengst.
5. Teeltkosten voorbeelden:
a. Klein, rond zaad veldboonrassen goedkoper.
b. Kortstrorassen bij graan minder risico legeren & kan meer stikstof verwerken.
c. Synchrone afrijping bij spruitkool
d. Lage energiebehoefte kasgewassen
6. Nieuwe vormen en typen
a. Groentegewassen gaat om nieuwe typen bestaande gewassen.
b. Sierteelt gaat om nieuwe typen binnen bestaande gewassen & om introductie
geheel nieuwe gewassen.
Domesticatie proces waarmee de mens planten en dieren zodanig
van eigenschappen verandert zodat deze steeds meer aangepast
raken aan het leven dichtbij en in dienst van de mens.
Domesticatie geleidelijk proces:
1. Verzamelen wilde planten
2. Gebruik wilde planten rondom tijdelijke woonplaatsen
3. Plantensoorten aangepast aan verstoord en rijker milieu.
4. Mens schept gunstige groeivoorwaarden plantenteelt.
5. Mens onderneemt activiteiten om gewenste planten te
krijgen plantenteelt en plantenveredeling.
HS 1.2
Ad 4. Plantenteelt:
Voor 1500 n. Chr. Weinig gegevens
Na 1500 ontdekkingsreizen nieuwe gewassen.
Teler is “veredelaar”:
o Laat zijn gewassen bloeien
o Verzamelt zaad van de beste individuen voor het volgende jaar
o Houdt de beste lokale variëteiten over
Ad 5. Traditionele plantenveredling:
Selectie in het veld “vinden” van nieuwe vormen en variëteiten.
Plantenveredeling omvat alle menselijke activiteiten gericht op de productie van planten met een
betere erfelijke aanleg voor de voorziening in de menselijke behoeften.
1. Kweken “kwekersoog” gericht op verkrijgen nieuwe rassen.
2. Onderzoek:
a. Fundamenteel grondslagen van kweekwerk (WUR)
b. Toegepast bijv. verbeterde proeftechniek, efficiëntere selectiemethoden (PPO,
Proeftuin Zwaagdijk, veredelingsbedrijven).
HS 1.3
Rasbegrip ras is een groep van planten binnen een cultuurgewas:
Binnen een ‘cultuurgewas’
Waarin zij een niet verder te splitsen (1) onderscheidbare eenheid vormt
En die in haar karakteristieke eigenschappen (2)
Op de voor het gewas gebruikelijke wijze (3) constant reproduceerbaar is.
DUS-criteria Distinsct Uniform Stable.
Naamgeving binaire naamgeving.
1. Botanische naam geslachtsnaam + soortnaam
2. Commerciële naam raasaanduiding.
a. Mag geen Latijn zijn
b. Naam moet kort zijn
c. Geen naamgeving naar indeling van het plantenrijk
d. Moet in vele talen goed uit te spreken zijn.
e. Moet geldig gepubliceerd of wettelijk geregistreerd zijn.
Cultivar en variënteiten andere woorden voor ras.
Onderscheiding 4 rastypen:
, 1. Kloon
2. Lijn
3. Populatie ‘landras’ populatie planten die zich in bepaalde streek van nature heeft
gevormd onder invloed van daar heersende klimaat-, bodem, en bedrijfsomstandigheden en
waarop slechts een onzorgvuldige (grove) selectie is toegepast.
4. Hybride
HS 1.4
Veredelingsdoelen:
1. Opbrengst:
a. Raseffect
b. Bodemeffect
c. Klimaat effect
o Fysiologisch opbrengst potentieel meer ton/ha
o Hogere oogstindex oogstbaar product t.o.v. totale droge stofproductie.
o Gehalte aan eiwit/olie/suiker/gewenst inhoudsstof nemen af met stijgende
opbrengst.
2. Kwaliteit totaal aan eigenschappen van een product dat de mate van geschiktheid ervan
voor het beoogde gebruiksdoel bepaalt.
a. Wensen van de consument
b. Verwerkingskwaliteit
c. Voedings- of voederwaarde aanwezigheid gewenst componenten en afwezigheid
van of laag gehalte aan schadelijke bestanddelen.
Vaak negatieve correlatie met opbrengst.
3. Oogstzekerheid. Bedreigd door:
a. Biotische factoren resistentie tegen en ziekten en plagen. Deze kunnen zelf ook
resistent worden en is daarom erg moeilijk volledige resistentie niet te behalen,
partiële resistentie wel.
b. Abiotische factoren tolerantie vb. schot bij granen (belangrijk bij natte
oogstomstandigheden), kou tolerantie bij maïs, zouttolerantie bij bieten,
winterhardheid bij granen en droogtetolerantie bij veldbonen.
c. Fysiologische factoren te snel doorschieten kropsla, openspringen van peulen &
gelegerd gewas (granen) rijpt slecht en is moeilijk te oogsten.
Vaak positieve correlatie met opbrengst.
4. Oogsttijdstip vroege oogsten vanwege:
a. Primeurteelt vroeg oogsten omdat consument dan meer voor product wil betalen.
b. Twee teelten per jaar
c. Jaarrondteelt (temperatuur/daglengte gevoeligheid)
ontlopen ongunstige opbrengst
Vaak negatieve correlatie met opbrengst.
5. Teeltkosten voorbeelden:
a. Klein, rond zaad veldboonrassen goedkoper.
b. Kortstrorassen bij graan minder risico legeren & kan meer stikstof verwerken.
c. Synchrone afrijping bij spruitkool
d. Lage energiebehoefte kasgewassen
6. Nieuwe vormen en typen
a. Groentegewassen gaat om nieuwe typen bestaande gewassen.
b. Sierteelt gaat om nieuwe typen binnen bestaande gewassen & om introductie
geheel nieuwe gewassen.