Samenvatting weefsels
Werkcollege 1 t/m 4
Biomedische Wetenschappen
2019-2020
Door Nicole (studente BMW)
,Inhoudsopgave
Werkcollege 1 - Epithelia........................................................................................................................2
Transportepitheel en bloed-hersen-barrière......................................................................................2
Typen capillairen.............................................................................................................................3
Bloed-hersen-barrière....................................................................................................................3
Mucosa tractus digestivus (slokdarm, maag en dunne darm)............................................................4
Huidepitheel en blaarziekten..............................................................................................................5
Luchtwegen en epitheelspecialisaties............................................................................................6
Desmosomen en hemidesmosomen..................................................................................................7
Werkcollege 2 - Weefselvernieuwing in epithelia..................................................................................9
Celvernieuwing dunne darmepitheel.................................................................................................9
Celvernieuwing onderzoeken.......................................................................................................10
Regulatie van het lot van de dochtercellen..................................................................................10
Opbouw van de darmklierbuis......................................................................................................11
Beweging van de epitheelcellen naar de villus.............................................................................12
Aantonen van stamcellen in de dunne darm....................................................................................12
Methotrexaat (MTX).........................................................................................................................15
De dood van een (darm)epitheel......................................................................................................16
Een epitheelcel bestemd voor apoptose signaleert zijn buren om deze te extruderen door een
actine- en myosine-afhankelijk mechanisme................................................................................16
Epitheliale homeostase: eliminatie door live cel extrusie.............................................................19
Crowding induceert levende celextrusie om homeostatische celaantallen in epithelia te
behouden.....................................................................................................................................19
Werkcollege 3 - Bindweefsel................................................................................................................21
Normale en afwijkende collageensynthese......................................................................................21
Integrines..........................................................................................................................................24
Hemidesmosomen vs. focal adhesions:............................................................................................25
Fibronectine.....................................................................................................................................26
Basaalmembraan en basale lamina..................................................................................................28
Vorming basale lamina.................................................................................................................28
Ground substance.............................................................................................................................30
Verschil tussen GAG en proteoglycaan.........................................................................................30
Syntheseroute proteoglycaan.......................................................................................................30
Hyaluronzuur................................................................................................................................31
Belang hyaluronzuur:....................................................................................................................32
1
, Hyaluronidasen.............................................................................................................................32
Werkcollege 1 - Epithelia
Transportepitheel en bloed-hersen-barrière
De binnenste laag van bloed- en lymfevaten wordt bekleed door eenlagig plaveiselepitheel, ook wel
endotheel genoemd. Deze endotheelcellen zijn selectief permeabel en transport kan plaatsvinden op
verschillende manieren:
Diffusie
Paracellulair transport
Transcytose
Transport met behulp van een carrier
Glucose is een groot molecuul en gaat via een glucose uniporter (transporter) naar het bloed
(gefaciliteerd), terwijl water een klein molecuul is en via een aquaporine naar het bloed gaat.
Hydrofobe moleculen en kleine apolaire moleculen kunnen gemakkelijk over het membraan
transporteren (diffusie en paracellulair). Water gaat bijvoorbeeld vaak tussen de cellen door
(paracellulair).
Bij grote moleculen wordt er vaak gebruik gemaakt van transporters. Transcytose wordt gebruikt
voor het transport van eiwitten en sommige andere grote moleculen over de wand van een bloedvat
(endocytose en exocytose). Hierbij vindt afsplitsing van het membraan plaats waaruit een
transportblaasje gevormd wordt. Dit blaasje zal aan de andere kant van het membraan versmelten
en zijn inhoud afgeven.
Figuur 1 Weergave van verschillende transportroutes over membranen.
2
, Typen capillairen
Er zijn drie verschillende typen capillairen:
Continue capillairen (spieren en longen):
Tight junctions
Intact basaalmembraan
Gefenestreerde capillairen (nieren en darmen):
Fenestraties
Diafragma van proteoglycanen (niet altijd aanwezig)
Intact basaalmembraan
Sinusoïden (lever en milt):
Breder
Geen diafragma
Discontinu basaalmembraan
Het diafragma/de klepjes die op de fenestraties kunnen zitten, hebben invloed op de doorstroom
door deze poriën. Dit wordt beïnvloed door de aanwezigheid van proteoglycanen, die de
permeabiliteit van het bloedvat verlagen. Sinusoïden zijn breder en de bloedstroom is hier
langzamer. Hierdoor wordt het transport vergemakkelijkt en kunnen grotere cellen hier doorheen.
Bloed-hersen-barrière
In de hersenen is een zogeheten “hersen-bloed-barrière” aanwezig. Hierbij zijn continue capillairen
Figuur 2 Weergave van de drie verschillende typen capillairen.
betrokken. Een soortgelijke barrière, die ook uit tight junctions bestaat, is ook aanwezig in de
thymus (rijpen van T-cellen en beschermen tegen antigenen) en in de testis (spermatogenese). De
rangschikking van de endotheelcellen in een capillair is (sub)microscopisch gezien als volgt:
De binnenste laag van het bloedvat bestaat uit endotheelcellen met daaromheen het
basaalmembraan. Ze liggen parallel in de lengterichting en het zijn dunne cellen bij elkaar. De
junctions die tussen de cellen van capillairen aanwezig zijn, zijn tight junctions en desmosomen. De
aanwezigheid van tight junctions is afhankelijk van waar de capillairen zich bevinden in het lichaam.
Zo zitten er minder tight junctions op plekken waar meer transport van stoffen over de
endotheellaag moet plaatsvinden. Deze bloed-orgaan-barrière is ook aanwezig in de thymus en testis
(spermatogenese). De hersenen zijn grootverbruikers van glucose, hierbij gaan er ketonlichamen de
hersenen in vanaf het bloed. Dit doen ze via een transporter (actief transport), hierbij is geen
insuline nodig.
3
Werkcollege 1 t/m 4
Biomedische Wetenschappen
2019-2020
Door Nicole (studente BMW)
,Inhoudsopgave
Werkcollege 1 - Epithelia........................................................................................................................2
Transportepitheel en bloed-hersen-barrière......................................................................................2
Typen capillairen.............................................................................................................................3
Bloed-hersen-barrière....................................................................................................................3
Mucosa tractus digestivus (slokdarm, maag en dunne darm)............................................................4
Huidepitheel en blaarziekten..............................................................................................................5
Luchtwegen en epitheelspecialisaties............................................................................................6
Desmosomen en hemidesmosomen..................................................................................................7
Werkcollege 2 - Weefselvernieuwing in epithelia..................................................................................9
Celvernieuwing dunne darmepitheel.................................................................................................9
Celvernieuwing onderzoeken.......................................................................................................10
Regulatie van het lot van de dochtercellen..................................................................................10
Opbouw van de darmklierbuis......................................................................................................11
Beweging van de epitheelcellen naar de villus.............................................................................12
Aantonen van stamcellen in de dunne darm....................................................................................12
Methotrexaat (MTX).........................................................................................................................15
De dood van een (darm)epitheel......................................................................................................16
Een epitheelcel bestemd voor apoptose signaleert zijn buren om deze te extruderen door een
actine- en myosine-afhankelijk mechanisme................................................................................16
Epitheliale homeostase: eliminatie door live cel extrusie.............................................................19
Crowding induceert levende celextrusie om homeostatische celaantallen in epithelia te
behouden.....................................................................................................................................19
Werkcollege 3 - Bindweefsel................................................................................................................21
Normale en afwijkende collageensynthese......................................................................................21
Integrines..........................................................................................................................................24
Hemidesmosomen vs. focal adhesions:............................................................................................25
Fibronectine.....................................................................................................................................26
Basaalmembraan en basale lamina..................................................................................................28
Vorming basale lamina.................................................................................................................28
Ground substance.............................................................................................................................30
Verschil tussen GAG en proteoglycaan.........................................................................................30
Syntheseroute proteoglycaan.......................................................................................................30
Hyaluronzuur................................................................................................................................31
Belang hyaluronzuur:....................................................................................................................32
1
, Hyaluronidasen.............................................................................................................................32
Werkcollege 1 - Epithelia
Transportepitheel en bloed-hersen-barrière
De binnenste laag van bloed- en lymfevaten wordt bekleed door eenlagig plaveiselepitheel, ook wel
endotheel genoemd. Deze endotheelcellen zijn selectief permeabel en transport kan plaatsvinden op
verschillende manieren:
Diffusie
Paracellulair transport
Transcytose
Transport met behulp van een carrier
Glucose is een groot molecuul en gaat via een glucose uniporter (transporter) naar het bloed
(gefaciliteerd), terwijl water een klein molecuul is en via een aquaporine naar het bloed gaat.
Hydrofobe moleculen en kleine apolaire moleculen kunnen gemakkelijk over het membraan
transporteren (diffusie en paracellulair). Water gaat bijvoorbeeld vaak tussen de cellen door
(paracellulair).
Bij grote moleculen wordt er vaak gebruik gemaakt van transporters. Transcytose wordt gebruikt
voor het transport van eiwitten en sommige andere grote moleculen over de wand van een bloedvat
(endocytose en exocytose). Hierbij vindt afsplitsing van het membraan plaats waaruit een
transportblaasje gevormd wordt. Dit blaasje zal aan de andere kant van het membraan versmelten
en zijn inhoud afgeven.
Figuur 1 Weergave van verschillende transportroutes over membranen.
2
, Typen capillairen
Er zijn drie verschillende typen capillairen:
Continue capillairen (spieren en longen):
Tight junctions
Intact basaalmembraan
Gefenestreerde capillairen (nieren en darmen):
Fenestraties
Diafragma van proteoglycanen (niet altijd aanwezig)
Intact basaalmembraan
Sinusoïden (lever en milt):
Breder
Geen diafragma
Discontinu basaalmembraan
Het diafragma/de klepjes die op de fenestraties kunnen zitten, hebben invloed op de doorstroom
door deze poriën. Dit wordt beïnvloed door de aanwezigheid van proteoglycanen, die de
permeabiliteit van het bloedvat verlagen. Sinusoïden zijn breder en de bloedstroom is hier
langzamer. Hierdoor wordt het transport vergemakkelijkt en kunnen grotere cellen hier doorheen.
Bloed-hersen-barrière
In de hersenen is een zogeheten “hersen-bloed-barrière” aanwezig. Hierbij zijn continue capillairen
Figuur 2 Weergave van de drie verschillende typen capillairen.
betrokken. Een soortgelijke barrière, die ook uit tight junctions bestaat, is ook aanwezig in de
thymus (rijpen van T-cellen en beschermen tegen antigenen) en in de testis (spermatogenese). De
rangschikking van de endotheelcellen in een capillair is (sub)microscopisch gezien als volgt:
De binnenste laag van het bloedvat bestaat uit endotheelcellen met daaromheen het
basaalmembraan. Ze liggen parallel in de lengterichting en het zijn dunne cellen bij elkaar. De
junctions die tussen de cellen van capillairen aanwezig zijn, zijn tight junctions en desmosomen. De
aanwezigheid van tight junctions is afhankelijk van waar de capillairen zich bevinden in het lichaam.
Zo zitten er minder tight junctions op plekken waar meer transport van stoffen over de
endotheellaag moet plaatsvinden. Deze bloed-orgaan-barrière is ook aanwezig in de thymus en testis
(spermatogenese). De hersenen zijn grootverbruikers van glucose, hierbij gaan er ketonlichamen de
hersenen in vanaf het bloed. Dit doen ze via een transporter (actief transport), hierbij is geen
insuline nodig.
3