Preventie en oorzaken van kanker
Preventie:
o Primair: voorkomen van ziekten.
o Secundair: vroegtijdig signaleren van ziekten.
o Tertiaire: voorkomen van complicaties, verbeteren van de gezondheidstoestand.
Exogene factoren: factoren buitenaf. Exogene factoren bij kanker:
o Roken (long, hoofd-hals, maag, lever, pancreas, blaas, nieren, huid en cervix), voeding; voldoende
groente en fruit (hoofd-hals, oesofagus en maag), bewegen; minimaal 5x matig intensief (mamma en
colorectaal), alcohol (hoofd-hals), UV-straling (huid), overgewicht (mamma, cervix, colorectaal,
niercel en oesofagus), straling (leukemie), beroepsrisico; werken met teer, asbest en aniline,
geneesmiddelen; cytostatica, infecties; humane papillomavirus (cervix) en milieu.
Endogene factoren: factoren binnenuit. Endogene factoren bij kanker:
o Hormonale invloed (oestrogeen; mamma), genetische factoren (HNPCC-syndroom; colorectaal),
BRCA1 en BRCA2 (mamma, ovarium) en andere ziekten (hepatitis of levercirrose; hepatocellulair en
ziekte van Crohn of Colitus (colon).
Chemopreventie: geven van cytostatica om de ontwikkeling van kanker te remmen; beïnvloeden in
beginfase. Ontstaan van kanker uitstellen of voorkomen.
Coping: manier waarop iemand omgaat met problemen en stress. Zelfregulerende kracht om zich te
herstellen en een nieuw evenwicht te vinden.
o Actief aanpakken: vechten en rationeel.
o Sociale steun zoeken: vechten en emotioneel.
o Vermijden en afwachten: vluchten en rationeel.
o Afleiding zoeken: vluchten en emotioneel.
Zorgpaden: methode om zorgprocessen te stroomlijnen en patiëntgericht te organiseren over de grenzen
van disciplines, afdelingen en instellingen heen.
Casemanagement: samenwerking waarbij zorg op elkaar wordt afgestemd door één hulpverlener.
Celdeling en oncologie
Celkern: besturingscentrum van alle activiteiten in de cel, bevat DNA.
DNA: bevat chromosomen. Lichaamscellen: 23 paar. Alleen zichtbaar bij delen. In het DNA zitten genen
waarin informatie is opgeslagen die nodig is voor de aanmaak van eiwitten.
Transcriptie: vormen van mRNA via RNA. Overschrijven van de informatie. Van celkern naar cytoplasma.
Translatie: vormen van een eiwit aan de hand van mRNA, ribosomen zijn hierbij betrokken.
DNA-replicatie: dupliceren van het erfelijke materiaal zodat iedere dochtercel een kopie krijgt.
Celdeling: duurt ongeveer 16-24 uur. Verloopt via de volgende fasen;
o S-fase: DNA synthese: verdubbeling van de NDA-ketens en het ontstaan van twee identieke set
chromosomen in elke cel. Verhoogd DNA gehalte; afleiden delingsactiviteit van de tumor.
o Mitose: deling van lichaamscellen (23 paar chromosomen; totaal van 46 chromosomen).
Profase: chromosomen rollen op waardoor ze zichtbaar worden; twee zusterchromatiden.
Metafase: zusterchromatiden gaan naar een smalle zone.
Anafase: het centromeer splitst en de chromatiden scheiden. Ze gaan tegenover elkaar liggen.
Telofase: vormen van kernmembranen, kernen worden groter en de chromosomen ontrollen.
Cytokinese: deling van het cytoplasma van de dochtercellen, tijdens late anafase en gaat door
tot de telofase waardoor er in beide dochtercellen nieuwe kernmembranen ontstaan.
o G1: eerste groeifase; uitgroeien tot volwassenheid. Kost de meeste tijd.
o G2: tweede groeifase; voortzetting van groei totdat de cel rijp is en de kern het dubbele DNA bevat.
Meiose: deling van geslachtcellen (23 losse chromosomen).
Genen: deel van het DNA dat een specifiek eiwit codeert.
Apoptose: genetisch gereguleerde afsterven van cellen om homeostase te handhaven.
Tumor (neoplasma): gezwel door afwijkende celgroei en celdeling. Bij tumorgroei is er sprake van een
verstoring van celdeling door mutaties. Neoplasie betekent nieuwvorming.
Carcinogenese: proces van het ontstaan van kwaadaardige tumoren.