Coachen
De coach stelt de gecoachte persoon centraal. Dit betekent dat de coach zich weg moet cijferen, respect
moet hebben en zich in de ander moet kunnen verplaatsen. Inlevingsvermogen en empathie zijn
belangrijk.
Gericht op de ontwikkeling en transfer. Ontwikkeling van kennis, vaardigheden en professioneel gedrag.
Transfer is het vermogen om gevonden oplossingen in vergelijkbare situaties toe te passen.
Nadruk leggen op motivatie en plezier. Om goed te functioneren en presteren moet iemand zich goed
voelen. Je moet het werk aankunnen en waardering ontvangen. Coaching wordt vaak ingezet als het niet
lekker loopt met collega’s.
Analyseren en communiceren. Analyseren: wat gebeurt er? Hoe komt dat en wat moet er verbeterd
worden? Communiceren: meer dan praten alleen; luisteren, observeren, vragen, de juiste atmosfeer
scheppen, empathie uitstralen en de ander laten praten.
Coachen is een ander helpen zijn of haar werk goed te doen.
‘Leren leren’ concept in relatie tot coaching
Logisch positivisme: leidend principe; eerst wordt de theorie behandeld en dan pas de praktijk.
Sociaal constructivisme: in het huidige beroepsonderwijs ligt het accent op ervaringsleren; kennis en
ervaringen gebruiken voor verdere ontwikkeling (wat goed ging herhalen en wat minder goed ging op een
andere manier uitvoeren).
‘Coachen met handen op de rug’, kenmerken van sociaal constructivisme
Van aansturing naar zelfsturing.
Veranderde rol van de student.
‘Leren leren’: student stuurt haar eigen onderwijsproces. Combinatie tussen theorie en de praktijk.
Nadruk meer op denken dan op weten. Onderbouwing van het handelen is belangrijk.
Nadenken over leren heeft meer effect dan enkel kennis opslaan. Hoe leer ik? Waarom leer ik zo?
Condities voor leren in de praktijk
Volwaardigheid van leeractiviteiten.
Situeren: leren vindt plaats daar waar de betreffende kennis, vaardigheden en gedragingen vereist zijn.
Abstraheren (transfer): in nieuwe situaties bepaalde vaardigheden kunnen toe passen.
Motivatie van de student; intrinsiek (van binnenuit, met erg veel motivatie) of extrinsiek (van buitenaf).
Zicht op kerntaken en werkprocessen.
Metacognitie en zelfregulatie; helicopterview.
Begeleidingsbehoefte van de stagiaire
Afhankelijk van de taakvolwssenheid:
o Taakbekwaamheid:
Ervaring van het stage lopen.
Relevante theoretische voorkennis.
Opleidingsniveau.
Fase van de stageperiode.
Vaardigheid om problemen op te lossen.
o Leerbereidheid:
Motivatie.
Bereidheid van de stagiaire om verantwoordelijkheid te nemen.
Zelfvertrouwen.
Leervaardigheden die een stagiaire nodig heeft
Sociaal-communicatieve vaardigheden.
Cognitieve vaardigheden: kennis.
Regulatieve vaardigheden: reflectie.
Affectieve vaardigheden.