Biologie geneeskunde!!
Verschillen planten- en dierlijke cel
Plantencel Dierlijke cel
Celwand (cellulose, prokaryote cellen Geen celwand
anders)
Vacuole Geen of kleine vacuole: uitzondering
vetcel heeft grote vetvacuole
Peroxisoom Lysosoom
Poolkapje Centriool
Prokaryote cellen: 1-10 micrometer
- Bewegen zich soms voort met zweepstaart of flagel
Eukaryote cellen: 10-100 micrometer
- Planten, dieren, zwammen meercellig
Eencellige eukaryoot
- Protozoa
o Amoebe
o Pantoffeldiertje
o Gisten
DNA
- Grote circulaire DNA-molecule: naakt DNA
o Niet opgerold rond histonen
- Meerdere kleine DNA-moleculen: plasmiden
o Recombinante DNA-technologie
Celkern
- Opslag genetisch materiaal: DNA en eiwitten verdeeld over verschillende
chromosomen
- Meestal grootste organel
- Dubbel membraan buitenste membraan in verbinding met ER
Cytoskelet
- Stugheid en transport
- Microtubuli
o Holle buisjes: 25nm
- Intermediaire filamenten: 10 nm
- Actinefilamenten of microfilamenten
o Dunne draafvormige structuren: 5nm
Centriool
- 2 centriolen vormen oorsprongspunten van microtubuli loodrecht op elkaar
- 9x3 structuur: tripletten van microtubuli circulair georiënteerd
,Centrosoom
- > 2 centriolen
- Beweging en sterkte van de cel
Cilia
- Trilharen voor beweging op celoppervlak
Celmembraan
- Huid van de cel
- > lipiden: fosfolipiden en cholesterol
o Fosfolipidendubbellaag met staarten naar elkaar
- > perifere proteïnen en transmembraanproteïnen
- Dierlijke cellen: > glycocalix: polysachariden
o Bepalen bloedgroep
o Communicatie en herkenning andere cellen
- Eigenschappen:
o Vloeibaar
o Selectief doorlatend of permeabel
o Zelfsluitend
- Functie:
o Barrière tussen intra- en extracellulair milieu
o Communicatie en uitwisseling intra- en extracellulair milieu
Cytosol
- Waterig milieu of gelachtige vloeistof
Cytoplasma
- Cytosol + celorganellen (buiten celkern)
Nucleoplasma
- Cytosol + kernorganellen
Kernporie
- Transport door kernenveloppe
Nucleolus
- Compact chromatine voor ribosoomproductie
Kernenveloppe
- Dubbelmembraan rond kern
Mitochondrium
- Energieproducent
- Dubbel membraan: sterk geplooid binnenmembraan
o Plooien binnenmembraan: de cristae > redoxmoleculen en enzymen nodig
voor vomring ATP tijdens cellulaire ademhaling
,ER
- Netwerk van holtes, kanalen en zakjes of cisternae
GER
- Vetsynthese (steroïden), aanmaak lipiden
- Detoxificatie
- Suikers aanpassen
RER
- Eiwitsynthese
- Ruw uitzicht door ribosomen
Ribosoom
- Tweedelig machientje om eiwitten te maken (translatie)
- Grote en kleine subeenheid > ribosomale eiwitten en rRNA
Golgi apparaat
- Opeenstapeling afgeplatte zakjes of cisternae
- Aanpassen en opsturen van gemaakte eiwitten mbv enzymen
- Afgewerkte eiwitten sorteren:
o Ter plaatse bllijven
o Opgenomen in lysosomen
o In blaasje of vesikels getransporteerd naar celmembraan
- Ontvangende kant: cis-zijde
Vesikel
- Transportblaasje
Lysosoom
- Verteringsvesikel van de cel
- Vesikel die afsplitst van Goli-apparaat
- Bevatten verteringsenzymen, eiwitten die andere moleculen zoals DNA, RNA,
eiwitten, suikers en lipiden kunnen afbreken
- Belangrijke rol bij opruimen van eigen materiaal zoals versleten celorganellen
Peroxisoom
- Afbraak vetzuren en toxische stoffen met H2O2 vorming
Plant
Vacuole
- Soms bij protozoa, niet bij mens (heel heel klein)
- Opslag stoffen
- Turgordruk stevigheid
Chloroplast
- Fotosynthese
, Celwand en soms kapsel aan buitenzijde
- Structuur en bescherming
Plasmodesmen
- Intercellulair transport en communicatie
Centriolen bij planten: poolkapjes
Endomembraanstructuren: enkel bij eukaryoten
- Doorlaatbaar voor water
- Grotere moleculen hebben transporteiwitten nodig zoals een kernporie
Geen membraan
- Nucleolus
- Ribosoom
- Cytoskelet
- Centriool
1 membraan > 2 lagen fosfolipiden!!
Passief transport
- Zonder energie
- Met concentratiegradiënt mee
- Kleine moleculen en ionen
Diffusie:
= opgeloste deeltjes in vloeistof of gas van gebied met hogere concentratie naar gebied met
lagere concentratie
- Membraan permeabel voor opgeloste stof
- Netto-verplaatsing!
- Bv. zuurstof vanuit bloedbaan naar cellen en koolstofdioxide van cellen naar
bloedbaan
Osmose:
- Water van gebied met lage concentratie naar gebied met hoge concentratie
verdunnend
- Bij verschil in permeabiliteit en door semipermeabel membraan (permeabel voor
oplosmiddel en niet voor opgeloste stof)
- Tot osmotisch evenwicht: netto-verplaatsing is gelijk
- Osmolariteit: maat voor concentratie opgeloste stoffen per liter oplossing
o Penetrerende en niet-penetrerende stoffen in rekening gebracht
o Cel
o Hyper, hypo, iso
- Toniciteit: gedrag van de cel
o Enkel niet-penetrerende stoffen in rekening gebracht
o Oplossing
Verschillen planten- en dierlijke cel
Plantencel Dierlijke cel
Celwand (cellulose, prokaryote cellen Geen celwand
anders)
Vacuole Geen of kleine vacuole: uitzondering
vetcel heeft grote vetvacuole
Peroxisoom Lysosoom
Poolkapje Centriool
Prokaryote cellen: 1-10 micrometer
- Bewegen zich soms voort met zweepstaart of flagel
Eukaryote cellen: 10-100 micrometer
- Planten, dieren, zwammen meercellig
Eencellige eukaryoot
- Protozoa
o Amoebe
o Pantoffeldiertje
o Gisten
DNA
- Grote circulaire DNA-molecule: naakt DNA
o Niet opgerold rond histonen
- Meerdere kleine DNA-moleculen: plasmiden
o Recombinante DNA-technologie
Celkern
- Opslag genetisch materiaal: DNA en eiwitten verdeeld over verschillende
chromosomen
- Meestal grootste organel
- Dubbel membraan buitenste membraan in verbinding met ER
Cytoskelet
- Stugheid en transport
- Microtubuli
o Holle buisjes: 25nm
- Intermediaire filamenten: 10 nm
- Actinefilamenten of microfilamenten
o Dunne draafvormige structuren: 5nm
Centriool
- 2 centriolen vormen oorsprongspunten van microtubuli loodrecht op elkaar
- 9x3 structuur: tripletten van microtubuli circulair georiënteerd
,Centrosoom
- > 2 centriolen
- Beweging en sterkte van de cel
Cilia
- Trilharen voor beweging op celoppervlak
Celmembraan
- Huid van de cel
- > lipiden: fosfolipiden en cholesterol
o Fosfolipidendubbellaag met staarten naar elkaar
- > perifere proteïnen en transmembraanproteïnen
- Dierlijke cellen: > glycocalix: polysachariden
o Bepalen bloedgroep
o Communicatie en herkenning andere cellen
- Eigenschappen:
o Vloeibaar
o Selectief doorlatend of permeabel
o Zelfsluitend
- Functie:
o Barrière tussen intra- en extracellulair milieu
o Communicatie en uitwisseling intra- en extracellulair milieu
Cytosol
- Waterig milieu of gelachtige vloeistof
Cytoplasma
- Cytosol + celorganellen (buiten celkern)
Nucleoplasma
- Cytosol + kernorganellen
Kernporie
- Transport door kernenveloppe
Nucleolus
- Compact chromatine voor ribosoomproductie
Kernenveloppe
- Dubbelmembraan rond kern
Mitochondrium
- Energieproducent
- Dubbel membraan: sterk geplooid binnenmembraan
o Plooien binnenmembraan: de cristae > redoxmoleculen en enzymen nodig
voor vomring ATP tijdens cellulaire ademhaling
,ER
- Netwerk van holtes, kanalen en zakjes of cisternae
GER
- Vetsynthese (steroïden), aanmaak lipiden
- Detoxificatie
- Suikers aanpassen
RER
- Eiwitsynthese
- Ruw uitzicht door ribosomen
Ribosoom
- Tweedelig machientje om eiwitten te maken (translatie)
- Grote en kleine subeenheid > ribosomale eiwitten en rRNA
Golgi apparaat
- Opeenstapeling afgeplatte zakjes of cisternae
- Aanpassen en opsturen van gemaakte eiwitten mbv enzymen
- Afgewerkte eiwitten sorteren:
o Ter plaatse bllijven
o Opgenomen in lysosomen
o In blaasje of vesikels getransporteerd naar celmembraan
- Ontvangende kant: cis-zijde
Vesikel
- Transportblaasje
Lysosoom
- Verteringsvesikel van de cel
- Vesikel die afsplitst van Goli-apparaat
- Bevatten verteringsenzymen, eiwitten die andere moleculen zoals DNA, RNA,
eiwitten, suikers en lipiden kunnen afbreken
- Belangrijke rol bij opruimen van eigen materiaal zoals versleten celorganellen
Peroxisoom
- Afbraak vetzuren en toxische stoffen met H2O2 vorming
Plant
Vacuole
- Soms bij protozoa, niet bij mens (heel heel klein)
- Opslag stoffen
- Turgordruk stevigheid
Chloroplast
- Fotosynthese
, Celwand en soms kapsel aan buitenzijde
- Structuur en bescherming
Plasmodesmen
- Intercellulair transport en communicatie
Centriolen bij planten: poolkapjes
Endomembraanstructuren: enkel bij eukaryoten
- Doorlaatbaar voor water
- Grotere moleculen hebben transporteiwitten nodig zoals een kernporie
Geen membraan
- Nucleolus
- Ribosoom
- Cytoskelet
- Centriool
1 membraan > 2 lagen fosfolipiden!!
Passief transport
- Zonder energie
- Met concentratiegradiënt mee
- Kleine moleculen en ionen
Diffusie:
= opgeloste deeltjes in vloeistof of gas van gebied met hogere concentratie naar gebied met
lagere concentratie
- Membraan permeabel voor opgeloste stof
- Netto-verplaatsing!
- Bv. zuurstof vanuit bloedbaan naar cellen en koolstofdioxide van cellen naar
bloedbaan
Osmose:
- Water van gebied met lage concentratie naar gebied met hoge concentratie
verdunnend
- Bij verschil in permeabiliteit en door semipermeabel membraan (permeabel voor
oplosmiddel en niet voor opgeloste stof)
- Tot osmotisch evenwicht: netto-verplaatsing is gelijk
- Osmolariteit: maat voor concentratie opgeloste stoffen per liter oplossing
o Penetrerende en niet-penetrerende stoffen in rekening gebracht
o Cel
o Hyper, hypo, iso
- Toniciteit: gedrag van de cel
o Enkel niet-penetrerende stoffen in rekening gebracht
o Oplossing