Heinrich Schütz (p. 361 – 366)
De grootste componist in het midden van de 17de eeuw was Heinrich Schütz (16de-17de
eeuw). Eerst gepubliceerde werk: een verzameling vijfstemmige Italiaanse madrigalen. Voor
zover bekend componeerde Schütz geen op zich staande instrumentale muziek. Hij wordt
beschouwd als de componist van een van de eerste Duitse opera, alsook van enkele
balletten en andere theaterwerken à alle muziek hier van is verloren gegaan.
De eenvoudigste van de deze werken zijn onopgesmukte vierstemmige harmoniseringen van
een Duitse vertaling van het psalter (1628), waarvan de soberheid contrasteert met de
Latijnse motetten van de Cantiones sacrae (1625); in deze motetten wordt een katholieke
contrapuntische stijl verlevendigd door harmonische nouveautés en door aan het madrigaal
ontleende trekjes, zoals de muzikale uitbeelding van slapen en waken aan het begin van Ego
dormio et cor meum vigilat (Ik slaap en mijn hart waakt).
Schütz maakt vaak gebruik van Venetiaanse pracht en praal; zoals diverse koren, solisten en
concertato-instrumenten, waar de kleurrijke klankmassa’s van het groot concerto worden
gecombineerd met een smaakvolle behandeling van de Duitse teksten à versmelting van
Italiaanse en Duitse stijlen (voltooiing). Eén belangrijk aspect van de lutherse stijl ontbrak bij
hem: hij maakte zelden gebruik van traditionele koraalmelodieën, hoewel hij veel
koraalteksten op muziek zette.
De belangrijkste concertatomotetten van Schütz zijn de Symphoniae sacrae (Geestelijke
symfonieën), die in drie reeksen werden gepubliceerd in 1629, 1647 en 1650. De eerste
twee zijn voor diverse kleine combinaties van stemmen en instrumenten, tot een totaal van
vijf of zes partijen met continuo à sterke invloed van Monteverdi en Grandi.
Uit het recitatief blijkt hoe goed Schütz zich de vrije dissonantbehandeling van zijn
Venetiaanse collega’s eigen had gemaakt.
Het laatste deel van de Symphoniae sacrae (1650) vereist maar liefst zes solostemmen en
twee instrumentale partijen met continuo, ondersteund door een compleet ensemble van
koor en instrumenten. Veel van deze werken zijn groots opgezet als dramatische ‘scenes’,
soms afgesloten door een koor met vrome overwegingen of aanmaningen; daarin benaderen
ze de opzet van de latere kerkcantate.
Tot Schütz’ composities van het oratoriumtype behoort zijn beroemdste werk, Die sieben
Worte Jesu am Kreuz (1645). Hier zijn de narratieve gedeelten vervat in recitatieven (in twee
gevallen voor koor) met een basso continuo, terwijl de woorden van Jezus in vrije en zeer
expressieve monodie steeds begeleid worden door strijkers en een continuo.
Bachs vocale muziek (pg. 485 – 496)
Bach in Leipzig. Bach was verantwoordelijk voor de muziek in de Thomaskerk. Als cantor
was Bach 3de in de academische hiërarchie. Tot zijn taken behoorden onder andere elke dag
4 uur lesgeven (zowel Latijn als muziek) en ook het voorbereiden van muziek voor de
kerkdiensten.
Bij de hoofddienst zong het koor een motet, een lutherse mis (enkel het Kyrie en het Gloria),
hymnen en een cantate. De cantor dirigeerde het eerste koor, terwijl een adjunct in de
andere kerk het tweede koor met eenvoudigere muziek dirigeerde. Tegelijkertijd zorgden het
derde en het vierde koor, die uit de slechtste zangers bestonden, voor de meer bescheiden
1