I: Makelaarsstaat (1555-1795)
Soevereiniteit gewesten
Olichargie: stedelijke elites aan de macht
Overheid actief in aantal sectoren; alleen als toezicht
Maatschappelijke zelforganisatie
Rekesten
Bottom-up
Geen scheiding politici en ambtenaren
II: Nachtwakersstaat (1795-1848)
Centralisatie, uniformering, bureaucratisering
Autocratische koning Willem I, ministers dienaren koning
Scheiding kerk en staat
Top-down
III: Verzorgingsstaat (1848- 1980)
Industrialisatie, verzuiling & ontzuiling
Algemeen kiesrecht
Grondwet 1848
Democratische rechtsstaat
Constitutionele monarchie
Gedecentraliseerde eenheidsstaat
Top-down
IV: Waarborgstaat (1980-nu)
Populisme
Europeanisering
NPM: overheid kleiner maken
Top-down: verzelfstandiging (door bezuiniging en EU)
Bottom-up: burgerparticipatie (maatschappelijke zelforganisatie)
Ambtelijk professionalisme
,Algemene begrippen
Regering= koning + ministers
Kabinet= ministers + staatssecretarissen
Ministerraad= alle ministers, Minister-President (MP) is voorzitter
Algemeen bestuur Functioneel bestuur
Open huishouding (onbeperkt takenpakket) Gesloten huishouding (beperkt takenpakket)
Integrale belangenafweging Verschillende niveaus
Direct gekozen: rijk, provincie, gemeente Ingezetenen gekozen met publiekrechtelijke
bevoegdheden
Kenmerken staat Kenmerken rechtsstaat
Gemeenschap Grondrechten
Grondgebied (territorium) Scheiding der machten (trias politica)
Gezag (geweldsmonopolie) Legaliteitsbeginsel
Erkenning (soevereiniteit) Onafhankelijke rechtspraak
Vrije en geheime verkiezingen
persvrijheid
Regering + Staten-Generaal = wetgevende macht
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: alleen staat bezit soevereiniteit
Functionele decentralisatie: taken en bevoegdheden van algemeen bestuur naar functioneel
bestuur
Territoriale decentralisatie: taken en bevoegdheden van Rijk naar provincies en gemeenten
Leer van Thorbecke: ‘Biologisch organisme’: een georganiseerd volk waarbinnen gelijkwaardige
groepen leven. Iedere groep (=organisme) is op zichzelf belangrijk (zoals ook in het lichaam). Als een
van deze groepen ontbreekt, kan het lichaam niet meer goed werken. Tegelijkertijd kunnen de delen
niet zonder het geheel. (Huis van Thorbecke > organische bouwlagen)
Publiek Privaat
Juridische Op basis van wet (bijv. WGR) Burgerlijk Wetboek
grondslag (privaatrechtelijk)
Financiering Publieke middelen (belasting, Eigen inkomsten (premies)
subsidie)
Doel Maatschappelijke doelstelling, Eigen belang
vaak vastgelegd in de wet
Verantwoording Direct of indirect aan rechtstreeks Aan eigen bedrijf via bijv.
vertegenwoordigend orgaan jaarverslag
Geen verantwoording aan
vertegenwoordigend orgaan
Bevoegdheden Wettelijk vastgelegd, of Geen publieke bevoegdheden
vastgelegd in verordeningen
Een hybride organisatie heeft kenmerken van alle 3 de ideaaltypen (staat, markt en gemeenschap)
Bijv. zorg heeft een publieke taak, marktwerking. Ontstaan vanuit gemeenschap. Privaatrechtelijke
organisatie met een publieke taak.
, Effectiviteit: in welke mate de gemeente erin slaagt haar doeleinden te bereiken.
Efficiëntie: in welke mate daarmee vermijdbare uitgaven zijn gedaan
Legitimiteit: in hoeverre de maatschappelijkke wensen vertaald kunnen zijn in beleid en outcomes
ook aansluiten bij die wensen.
Cumulatie = samenvallen
Culminatie = hoge intensiteit
Federatie Confederatie
Heeft een grondwet Elke lidstaat heeft een eigen grondwet
Eén centrale soevereine staat Meerdere staten met eigen soevereiniteit
Is verplicht Is vrijwillig (mogelijk om lidmaatschap te
beëindigen)
Centrale belastingheffing Lidstaten hebben eigen belastingheffing
Bestuurshistorie kan worden beschreven vanuit 3 basisbegrippen:
Structuur
Functioneren
Functionarissen
Grosso modo: de huidige omstandigheden waarin wij besturen zijn het resultaat van keuzes uit het
verleden
Tussen algemeen en dagelijks Monisme Dualisme
bestuur
Samenstelling/benoeming Verwevenheid Gescheiden
Opstelling Afhankelijkheid onafhankelijkheid