SAMENVATTING 5.1
Leenheren en leenmannen
De middeleeuwen
o De tijd na het romeinse rijk (oudheid) en voor de nieuwe tijd
o Het ligt in het midden van die 2 perioden: tussenperiode
o Ongeveer tussen 500 – 1500
o Vroege middeleeuwen 500 – 1000
o Late middeleeuwen 1000 – 1500
Clovis
o Clovis was de stichter van het Frankische rijk
o Hij werd de eerste koning van het rijk, Clovis I
o Zijn rijk omvatte bijna heel Gallië
Keizer Karel
o 2,5 eeuw later (250 jaar), in 768, wordt Karel koning van de Franken.
o Karel ging bijna elk jaar met zijn leger op pad om nieuwe gebieden te veroveren.
o Hij veroverde zoveel gebieden, Friesland, Saksen, de Alpen en Noord-Italië, dat hij
Karel de Grote genoemd wordt.
De rondreizende koning
o Het besturen van dit grote rijk van Karel ging nog niet zo makkelijk.
o Veel mensen konden niet lezen en schrijven, ook Karel kon niet schrijven.
o Karel moest door het hele rijk reizen om te controleren of zijn rijk wel goed bestuurd
werd.
o Er waren geen goede wegen, waardoor hij niet makkelijk van de ene kant naar de
andere kant van zijn rijk kon reizen.
Het leenstelsel
o Om zijn rijk bestuurbaar te houden, leende hij stukken land aan hertogen en graven.
o Die zouden dat gebied voor Karel besturen.
o Dit noemen we het leenstelsel
Karel was de leenheer
De hertogen en graven werden leenman
Een onveilige tijd
o De leenmannen gaven hun gebieden weer door aan hun kinderen
Leenheren en leenmannen
De middeleeuwen
o De tijd na het romeinse rijk (oudheid) en voor de nieuwe tijd
o Het ligt in het midden van die 2 perioden: tussenperiode
o Ongeveer tussen 500 – 1500
o Vroege middeleeuwen 500 – 1000
o Late middeleeuwen 1000 – 1500
Clovis
o Clovis was de stichter van het Frankische rijk
o Hij werd de eerste koning van het rijk, Clovis I
o Zijn rijk omvatte bijna heel Gallië
Keizer Karel
o 2,5 eeuw later (250 jaar), in 768, wordt Karel koning van de Franken.
o Karel ging bijna elk jaar met zijn leger op pad om nieuwe gebieden te veroveren.
o Hij veroverde zoveel gebieden, Friesland, Saksen, de Alpen en Noord-Italië, dat hij
Karel de Grote genoemd wordt.
De rondreizende koning
o Het besturen van dit grote rijk van Karel ging nog niet zo makkelijk.
o Veel mensen konden niet lezen en schrijven, ook Karel kon niet schrijven.
o Karel moest door het hele rijk reizen om te controleren of zijn rijk wel goed bestuurd
werd.
o Er waren geen goede wegen, waardoor hij niet makkelijk van de ene kant naar de
andere kant van zijn rijk kon reizen.
Het leenstelsel
o Om zijn rijk bestuurbaar te houden, leende hij stukken land aan hertogen en graven.
o Die zouden dat gebied voor Karel besturen.
o Dit noemen we het leenstelsel
Karel was de leenheer
De hertogen en graven werden leenman
Een onveilige tijd
o De leenmannen gaven hun gebieden weer door aan hun kinderen