Leerdoel 1: Wat is een religie en wat telt als religieuze uiting?
Leerdoel 2: Kan het afhangen van de context of religieuze uitingen beledigend zijn?
Leerdoel 3: Welke uitingsvormen van godsdienst worden onderscheiden en wat zijn de
beperkingsmogelijkheden van de uitingen van godsdienst?
Let hierbij op forum internum en forum externum!
LEERDOEL 1: WAT IS EEN RELIGIE EN WAT TELT ALS RELIGIEUZE UITING ?
Uit de Grondwet blijkt niet wat onder een godsdienst verstaan kan worden. Het begrip moet
dus door bestuur, rechter en wetgever worden uitgelegd. Hierbij is het probleem dat zij een
oordeel moeten geven over wat in juridische zin als uiting van godsdienstige overtuiging
kwalificeert. Het uitgangspunt zal daarbij meestal de historische kern zijn, de traditionele
uitingen van religie in art. 6 Gw verondersteld worden en in de tekst van art. 9 EVRM vervat
zijn.
Buiten deze historische kern wordt lang niet alles wat zich als godsdienst en godsdienstige
uiting presenteert in juridische zin als zodanig erkend. Er moet sprake zijn van een zekere
mate van diepgang en structuur, historische inbedding en herkenbaarheid. Niet alles telt dus
als een godsdienst, al geeft de ‘gelovige’ het wel die naam (zie bijv. het Sint Walburga-arrest
of het arrest Pastafarisme).
Ook ten aanzien van de vraag of er sprake is van een godsdienstige uiting, is de subjectieve
interpretatie van de ‘gelovige’ niet doorslaggevend. In de rechtspraktijk wordt uitgegaan van
een restrictief-objectieve uitleg. Niet het intern-subjectieve, maar het extern-subjectieve
perspectief weegt zwaarder.
Art. 6 Gw en art. 9 EVRM beschermen niet alle handelingen die voortkomen uit een
persoonlijke religieuze overtuiging, maar voornamelijk handelingen die onderdeel zijn van een
religieuze of levensbeschouwelijke praktijk in een algemeen herkenbare vorm.
Het risico van de restrictief-objectieve interpretatie is dat de overheid hierbij alleen uitgaat
van de herkenbare gedragspatronen van bekende godsdienstige tradities, zodat handelingen
die minderheden beschouwen als essentieel voor hun godsdienst buiten het bereik van het
begrip vallen. Alleen omdat ze niet passen binnen het traditionele concept van wat als
godsdienst ‘telt’.
Dit risico kan verminderd worden door bij twijfel de betrokkene/’gelovige’ het voordeel van
de twijfel te geven. Soms moet de rechter dus terughoudend zijn.
Er zijn veel terreinen waarbij het beroep op de godsdienstvrijheid buiten de orde is. Denk
hierbij aan het vervullen van voor een ieder geldende financiële plichten (belastingen,
premies), neutrale verkeersregels, algemene economische en ruimtelijke verordeningen.
Ten aanzien van de reikwijdte van art. 6 Gw en art. 9 EVRM zijn drie typen handelingen te
onderscheiden.
- Handelingen die traditioneel behoren tot manifestaties van godsdienst, zoals de
individuele en collectieve godsverering in cultus en riten, het naleven van geboden
ten aanzien van kleding, voedsel, gezinsleven, opvoeding, religieus onderwijs, etc.