Samenvatting overeenkomstenrecht
3 februari 2022
Periode B
Privaatrecht 1
Monica Blom
Inhoud
Samenvatting overeenkomstenrecht.....................................................................................................1
Week 1: H1, H2 ,H9................................................................................................................................2
Week 2: H2, H4 en H5 (excl. 5.3 en 5.4).................................................................................................4
Week 3: H3 (excl. 3.13 en 3.14)..............................................................................................................7
Week 4: H6...........................................................................................................................................11
1
, Week 1: H1, H2 ,H9
Leerdoelen deze week:
1. De student begrijpt de gelaagde structuur van het BW.
2. De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus.
3. De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling, bloot rechtsfeit
en verbintenis in een casus.
4. De student past de rechtsregels omtrent verbintenissen uit de wet toe in een casus.
Leerdoel 1: De student begrijpt de gelaagde structuur van het BW.
Daarmee wordt bedoeld dat het BW eerst de algemene regels geeft die voor een bepaald onderwerp
gelden, waarna voor specifiekere situaties steeds gedetailleerdere regels worden gegeven.
Leerdoel 2: De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus
1. Contractsvrijheid= partijen zijn vrij om waar dan ook afspraken over te maken. Dit mag niet
in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden.
2. Pacta sunt servanda = overeenkomst is overeenkomst. Wat je hebt beloofd moet je
nakomen.
3. Vormvrijheid = je kan overeenkomsten sluiten op meerdere manieren, je bent vrij in de vorm
daarvan. Uitzondering: als de wet anders bepaalt. Vb: koopovereenkomst woning kan je niet
mondeling sluiten, hiervoor is een notariële akte nodig.
4. Redelijkheid & billijkheid = Partijen zijn verplicht zich naar redelijk en billijk te gedragen. Dit
beginsel is vastgelegd in art. 6:2 BW. De redelijkheid verwijst naar het verstand (iets wat
eerlijk is), de billijkheid naar ons rechtsgevoel. Dit is een soort vangnet.
5. Bijzonder gaat voor algemeen = specifiekere wetten gaan voor de meer algemene wetten
Leerdoel 3: De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling, bloot rechtsfeit
en verbintenis in een casus
Blote rechtsfeiten = Bloot rechtsfeit – een feit waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden, zonder dat
van een menselijke handeling sprake is. Een voorbeeld hiervan is geboorte.
Handelingen: vereist een bewuste menselijke handeling voor rechtsgevolg
- Rechtshandelingen
o Art. 3:33 BW: een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die
zich door een verklaring heeft geopenbaard
Eenzijdige echtshandeling – een rechtshandeling waarvoor slechts de
wilsuiting van één persoon benodigd is. Voorbeeld: opzegging
arbeidsovereenkomst/ontslag nemen of testament maken. Art. 3:33 BW
Meerzijdige rechtshandeling – een rechtshandeling waarvoor de verklaringen
van meer dan één persoon genodigd zijn om het beoogde rechtsgevolg te
doen intreden. Voorbeeld: huwelijk of een overeenkomst. Art. 3:33 BW
- Feitelijke handelingen
o Een menselijke handeling met rechtsgevolg maar wil is niet vereist; wil doet niet ter
zake vb: onrechtmatige daad (het was niet je wil, maar er is wel een rechtsgevolg)
2
3 februari 2022
Periode B
Privaatrecht 1
Monica Blom
Inhoud
Samenvatting overeenkomstenrecht.....................................................................................................1
Week 1: H1, H2 ,H9................................................................................................................................2
Week 2: H2, H4 en H5 (excl. 5.3 en 5.4).................................................................................................4
Week 3: H3 (excl. 3.13 en 3.14)..............................................................................................................7
Week 4: H6...........................................................................................................................................11
1
, Week 1: H1, H2 ,H9
Leerdoelen deze week:
1. De student begrijpt de gelaagde structuur van het BW.
2. De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus.
3. De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling, bloot rechtsfeit
en verbintenis in een casus.
4. De student past de rechtsregels omtrent verbintenissen uit de wet toe in een casus.
Leerdoel 1: De student begrijpt de gelaagde structuur van het BW.
Daarmee wordt bedoeld dat het BW eerst de algemene regels geeft die voor een bepaald onderwerp
gelden, waarna voor specifiekere situaties steeds gedetailleerdere regels worden gegeven.
Leerdoel 2: De student herkent de beginselen van het privaatrecht in een casus
1. Contractsvrijheid= partijen zijn vrij om waar dan ook afspraken over te maken. Dit mag niet
in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden.
2. Pacta sunt servanda = overeenkomst is overeenkomst. Wat je hebt beloofd moet je
nakomen.
3. Vormvrijheid = je kan overeenkomsten sluiten op meerdere manieren, je bent vrij in de vorm
daarvan. Uitzondering: als de wet anders bepaalt. Vb: koopovereenkomst woning kan je niet
mondeling sluiten, hiervoor is een notariële akte nodig.
4. Redelijkheid & billijkheid = Partijen zijn verplicht zich naar redelijk en billijk te gedragen. Dit
beginsel is vastgelegd in art. 6:2 BW. De redelijkheid verwijst naar het verstand (iets wat
eerlijk is), de billijkheid naar ons rechtsgevoel. Dit is een soort vangnet.
5. Bijzonder gaat voor algemeen = specifiekere wetten gaan voor de meer algemene wetten
Leerdoel 3: De student herkent de begrippen rechtshandeling, feitelijke handeling, bloot rechtsfeit
en verbintenis in een casus
Blote rechtsfeiten = Bloot rechtsfeit – een feit waaraan rechtsgevolgen zijn verbonden, zonder dat
van een menselijke handeling sprake is. Een voorbeeld hiervan is geboorte.
Handelingen: vereist een bewuste menselijke handeling voor rechtsgevolg
- Rechtshandelingen
o Art. 3:33 BW: een rechtshandeling vereist een op een rechtsgevolg gerichte wil die
zich door een verklaring heeft geopenbaard
Eenzijdige echtshandeling – een rechtshandeling waarvoor slechts de
wilsuiting van één persoon benodigd is. Voorbeeld: opzegging
arbeidsovereenkomst/ontslag nemen of testament maken. Art. 3:33 BW
Meerzijdige rechtshandeling – een rechtshandeling waarvoor de verklaringen
van meer dan één persoon genodigd zijn om het beoogde rechtsgevolg te
doen intreden. Voorbeeld: huwelijk of een overeenkomst. Art. 3:33 BW
- Feitelijke handelingen
o Een menselijke handeling met rechtsgevolg maar wil is niet vereist; wil doet niet ter
zake vb: onrechtmatige daad (het was niet je wil, maar er is wel een rechtsgevolg)
2