Orgaansystemen en dus ook zenuwstelsel maken deel uit van ingewikkelde ecosystemen
Vanuit de systeembiologie is heel het ecosysteem in de natuur in lagen geordend als een
hiërarchische continuüm waarbij complexere grotere eenheden zijn samengevoegd uit
minder complexe eenheden
Evolutie heeft geleid tot een toenemende complexiteit van neurale structuren en hersenen
1.1 Een conceptueel biopsychosociaal kader van hersenen en gedrag
neuron: cel (cellulaire neurofysiologie)
meerdere cellen samen = neurale circuits
Fylogenese: groei van de processen doorheen
miljoenen jaren
Ontogenese: ontwikkeling van de hersenen
doorheen de eigen levensloop
Neuroplasticiteit: verwijst naar hoe (kennis
en ervaringen) netwerken in de hersenen
veranderen door organisatie en reorganisatie
in reactie op ervaring en sensorische
stimulering
Persoon: draaglast/draagkracht is gevormd
doorheen de ontwikkeling bepaald Hoelang je
kan leven met bijvoorbeeld stress
Gedragsfuncties: motoriek – cognitie – emotie
neuron => neuralecircuits => zenuwstelsels => hersenen => gedragsfuncties => activiteiten
Klinische implicaties
• Stress shrinks Brian networks
(etiologie = oorzaak van aandoening)
, • Auto-ongeluk kan zorgen tot gedragsdisfuncties (stoornissen in gedragsfuncties)
• Depressie => aangeboren depressie/ ontwikkelde depressie heeft impact op de
werking van de hersenen (frontale hersenkwabben doven uit)
(word getest door radioactief water in de hersenen te spuiten, de actieve
zenuwcellen in de hersenen zullen van deze stof gaan “snoepen”)
Rood/oranje = actief groen/blauw = niet actief
• Door neuroplasticiteit kunnen er nieuwe connecties gemaakt worden hierdoor kan
je opnieuw dingen aanleren (na verlamming terug wandelen)
Hoofdstuk 2: cellulaire fylogenese
2.1 ontstaan van het leven
Heelal: 13,7 miljard jaar geleden
Zonnestelsel: 4,6 miljard jaar geleden
Eerste gesteenten en oceanen: 4,4 miljard jaar geleden
Leven in oceaan: 545 miljoen jaar geleden
2.3 de cel als morfologische en functionele eenheid van leven
Celmembraan: afscheiding tussen een intracellulaire ‘binnenwereld’ en een extracellulaire
‘buitenwereld’
Intracellulair = endogeen extracellulair = exogeen
Organellen: kleine fabriekjes die zich in de cel bevinden
Eukaryoten cellen: cellen met een celkern (bevat DNA)
Prokaryoten cellen: cellen zonder celkern
2.5 evolutie als basis van eenheid in diversiteit
2
,2.6 organisatie van een eukaryote cel
Cytoplasma: gel achtige substantie die organellen bevat
2.7 structuur en functie van de celmembraan
Celmembraan bestaat uit openingen/kanalen, die openingen zitten vol met eiwitten,
hierdoor kunnen stoffen zich van binnen naar buiten verplaatsen
Wanneer een stof in gedeelte A zit gaan de kanaaltjes ervoor zorgen dat de stoffen van A en
B zich gaan mengen
2.8 celmetabolisme
Celmetabolisme: alle reacties samen, of het geheel van alle katabole en anabole reacties
die binnen een organisme plaatsvinden (zorgt voor ontstaan van energie)
Katabolisme: afbrekende reactie
Anabolisme: opbouwende reactie
ATP: adenozine tri fosfaat (energie)
3
, 2.10 prikkelbaarheid en reactievermogen van cellen
Eerste primitieve gedragsreacties: Elektrische processen op de cel met interactie omgeving,
zorgt ervoor dat er elektrische processen worden opgewekt, zo gaat de cel beginnen
reageren en bewegen
2.11 evolutie van metazoa of meercellige naar dieren met een
zenuwstelsel
Meercellige: veel complexere netwerken
Worm: C-élégance, meerdere ontwikkelde zenuwcellen en neurale circuits (meercellige)
door de connecties van de cellen begint het steeds complexer gedrag te stellen
Alle andere dieren komen hier op verder, steeds complexer
Hoofdstuk 3: cellulaire neuroanatomie
Inleiding
Zenuwcellen of neuronen: opvangen en doorsturen van informatie naar de hersenen, het
ordenen en interpreteren van al de binnenkomende informatie en het
voorbereiden/uitsturen van instructies naar de organen in de periferie
Steun of neurogliacellen: helpen de neuronen op verschillende manieren bij de uitoefening
van hun informatieverwerkende taak
3.1 neuronen/zenuwcellen
4