SYSTEMATISCH DENKEN EN HANDELEN
Inhoudsopgave
1. de algemene systeemtheorie...............................................................................2
1.1 Systemisch werken – algemene systeemtheorie – systeem.................................................2
1.2 Ontstaan van de algemene systeemtheorie.........................................................................2
1.3 situering van de systeemtheorie.......................................................................................... 2
1.4 de AST: van een persoonsgerichte naar een relatiegerichte benadering: het belang van de
wisselwerking............................................................................................................................. 3
1.5 De AST: Van een lineaire oorzakelijkheid naar een circulaire oorzakelijkheid......................3
2. Kenmerken van een systeem................................................................................4
2.1 Een systeem van mensen is een open systeem...................................................................4
2.2 kenmerken........................................................................................................................... 4
2.2.1 totaliteit of niet-optelbaarheid.......................................................................................5
2.2.2 Interonafhankelijkheid.................................................................................................... 5
2.2.3 Gezamenlijk doel............................................................................................................ 5
2.2.4 Emotionele betrokkenheid............................................................................................. 5
2.2.5 het tijdselement............................................................................................................. 5
3. Kernbegrippen uit de A.S.T..................................................................................5
3.1 Omgangsvormen of interactiepatronen van systemen.........................................................5
3.2 Systeemregels..................................................................................................................... 6
3.2.1 Opvattingen................................................................................................................... 6
3.2.2 Moetens......................................................................................................................... 6
3.2.3 Mythen........................................................................................................................... 6
3.3 Informatie en feedback........................................................................................................ 7
3.3.1 Positieve feedback......................................................................................................... 7
3.3.2 Negatieve feedback....................................................................................................... 7
3.4 Homeostase en kalibrering................................................................................................... 7
3.5 Loyauteit of loyaliteit........................................................................................................... 8
3.6 Identiteit.............................................................................................................................. 8
3.7 Grenzen............................................................................................................................... 8
3.7.1 Extremen in permeabiliteit van grenzen: kluwen en los-zand........................................8
3.7.2 Grenzen en identiteit..................................................................................................... 9
3.8 Equifinaliteit en equipotentialiteit........................................................................................ 9
4. Het gezin als systeem........................................................................................10
4.1 Gezinnen anno 2020.......................................................................................................... 10
4.1.1 Op zoek naar een defintie............................................................................................10
4.1.2 Gezin in een maatschappelijke context........................................................................10
4.1.3 Gezin als een dynamisch samenlevingsverband..........................................................11
4.1.4 Gezin binnen de systeemtheorie (nabuurs M. 2021)....................................................11
4.2 De structurele SYSTEEMTHEORIE (S. Minuchin)..................................................................11
4.2.1 Kennismaking............................................................................................................... 11
4.2.2 Visie en werkwijze........................................................................................................ 12
, 4.2.3 Enkele pathologische patronen: de geperverteerde driehoek (vader, moeder, kind)...13
4.2.4 Rol van de begeleider volgens de structurele systeemtheorie.....................................14
4.2.5 Oefening: geperveteerde driehoek..............................................................................15
5. Interactiepatronen binnen systemen..................................................................15
5.1 AXIOMA 1: “je kan niet niet-communiceren.”.....................................................................15
5.1.1 Invloed en bedoeling.................................................................................................... 15
5.1.2 Invloedsbesef............................................................................................................... 16
5.1.3 De facetten van beïnvloeding: een leidraad voor gespreksvoering..............................16
5.1.4 Betrokkenheid en inzet................................................................................................18
5.1.5 Effect in communicatie................................................................................................. 18
5.2 Axioma 2: verbale en non-verbale taal...............................................................................18
5.3 Axioma 3: in alles wat ik zeg, zeg ik ook iets over hoe ik wil dat de ander met mij omgaat
(= de gelaagdheid in de communicatie)..................................................................................19
5.3.1 BETREKKINGSNIVEAU: OMSCHRIJVINGEN of betekenisverlening..................................19
5.3.2 Contextniveau van nader bekeken...............................................................................20
5.4 Axioma 4: “ieder zijn waarheid”......................................................................................... 21
5.4.1 Werkelijkheidsordening of betekenisverlening.............................................................21
5.4.2 Op zoek naar de betekenis voor mensen.....................................................................22
5.4.3 Herkaderen.................................................................................................................. 22
5.4.4 Werken met hypothesen..............................................................................................22
5.5 Axioma 5: wie heeft het voor het zeggen? Wie laat het voor het zeggen (symetrische en
complementaire relaties)......................................................................................................... 23
1. DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE
1.1 SYSTEMISCH WERKEN – ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE – SYSTEEM
- Term ‘systeem’ = Samenstellen of bijeenplaatsen
- Ludwig Von Bertalanffy, definitie systeem: een aantal elementen die met elkaar ion
interactie staan. Geheel is meer dan de som van de delen.
- Systeem kan je niet horen of zien, het is een abstracte constructie
- AST maakt complexe gehelen ordenen mogelijk en overzichtelijk te maken.
1.2 ONTSTAAN VAN DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE
- Afkomst in biologie, organismen als open systeem
- Holistische kijk: organismen bekijken in wisselwerking met hun omgeving
- In 1956 eerste artikel over disfunctie van mensen gezocht in omgeving en systeem ( niet in
individu)
- Pioniers AST: Watzlawicks, Bateson, Donald Jackson, Jay Haley – Grondlegger: Salvador
Minuchin
1.3 SITUERING VAN DE SYSTEEMTHEORIE
- Menselijk gedrag is complex gegeven
2
, - Reden van disfunctioneren mensen volgens systeemtheorie
gezocht in omgeving, systeem van individu en relaties en
interacties tussen mensen
- AST samen met behaviorisme enkel kijken naar
waarneembaar gedrag, niet innerlijke processen, driften, …
- Vooral toevoeging van elementen uit context denken die
Waarneembaar
plaats krijgen in systeemtheorie gedrag
1.4 DE AST: VAN EEN PERSOONSGERICHTE NAAR EEN RELATIEGERICHTE BENADERING: HET
BELANG VAN DE WISSELWERKING
- Individueel probleem: klachten over 1 persoon maar staan in relatie tot elkaar, wederzijdse
beïnvloeding
- Verspreiding systeemdenken hing samen met aantal ontwikkelingen:
o Herverdeling tussen gezin en arbeid
o Normalisatie- en integratieprincipe
o Wet van 1965
o Secularisatie van de zorg
o Opkomst ouderverenigingen
- Hedendaags agogische werker inzicht in de verschillende systeemdimensies
- Ook belang voor zicht op eigen roots, je werkt met jezelf als instrument
- Van persoonsgericht naar relatiegericht:
Meerdere
beïnvloedende
1.5 DE AST: VAN EEN LINEAIRE OORZAKELIJKHEID NAAR EEN CIRCULAIRE OORZAKELIJKHEID
- Lineaire causaal denken: AB
3
Inhoudsopgave
1. de algemene systeemtheorie...............................................................................2
1.1 Systemisch werken – algemene systeemtheorie – systeem.................................................2
1.2 Ontstaan van de algemene systeemtheorie.........................................................................2
1.3 situering van de systeemtheorie.......................................................................................... 2
1.4 de AST: van een persoonsgerichte naar een relatiegerichte benadering: het belang van de
wisselwerking............................................................................................................................. 3
1.5 De AST: Van een lineaire oorzakelijkheid naar een circulaire oorzakelijkheid......................3
2. Kenmerken van een systeem................................................................................4
2.1 Een systeem van mensen is een open systeem...................................................................4
2.2 kenmerken........................................................................................................................... 4
2.2.1 totaliteit of niet-optelbaarheid.......................................................................................5
2.2.2 Interonafhankelijkheid.................................................................................................... 5
2.2.3 Gezamenlijk doel............................................................................................................ 5
2.2.4 Emotionele betrokkenheid............................................................................................. 5
2.2.5 het tijdselement............................................................................................................. 5
3. Kernbegrippen uit de A.S.T..................................................................................5
3.1 Omgangsvormen of interactiepatronen van systemen.........................................................5
3.2 Systeemregels..................................................................................................................... 6
3.2.1 Opvattingen................................................................................................................... 6
3.2.2 Moetens......................................................................................................................... 6
3.2.3 Mythen........................................................................................................................... 6
3.3 Informatie en feedback........................................................................................................ 7
3.3.1 Positieve feedback......................................................................................................... 7
3.3.2 Negatieve feedback....................................................................................................... 7
3.4 Homeostase en kalibrering................................................................................................... 7
3.5 Loyauteit of loyaliteit........................................................................................................... 8
3.6 Identiteit.............................................................................................................................. 8
3.7 Grenzen............................................................................................................................... 8
3.7.1 Extremen in permeabiliteit van grenzen: kluwen en los-zand........................................8
3.7.2 Grenzen en identiteit..................................................................................................... 9
3.8 Equifinaliteit en equipotentialiteit........................................................................................ 9
4. Het gezin als systeem........................................................................................10
4.1 Gezinnen anno 2020.......................................................................................................... 10
4.1.1 Op zoek naar een defintie............................................................................................10
4.1.2 Gezin in een maatschappelijke context........................................................................10
4.1.3 Gezin als een dynamisch samenlevingsverband..........................................................11
4.1.4 Gezin binnen de systeemtheorie (nabuurs M. 2021)....................................................11
4.2 De structurele SYSTEEMTHEORIE (S. Minuchin)..................................................................11
4.2.1 Kennismaking............................................................................................................... 11
4.2.2 Visie en werkwijze........................................................................................................ 12
, 4.2.3 Enkele pathologische patronen: de geperverteerde driehoek (vader, moeder, kind)...13
4.2.4 Rol van de begeleider volgens de structurele systeemtheorie.....................................14
4.2.5 Oefening: geperveteerde driehoek..............................................................................15
5. Interactiepatronen binnen systemen..................................................................15
5.1 AXIOMA 1: “je kan niet niet-communiceren.”.....................................................................15
5.1.1 Invloed en bedoeling.................................................................................................... 15
5.1.2 Invloedsbesef............................................................................................................... 16
5.1.3 De facetten van beïnvloeding: een leidraad voor gespreksvoering..............................16
5.1.4 Betrokkenheid en inzet................................................................................................18
5.1.5 Effect in communicatie................................................................................................. 18
5.2 Axioma 2: verbale en non-verbale taal...............................................................................18
5.3 Axioma 3: in alles wat ik zeg, zeg ik ook iets over hoe ik wil dat de ander met mij omgaat
(= de gelaagdheid in de communicatie)..................................................................................19
5.3.1 BETREKKINGSNIVEAU: OMSCHRIJVINGEN of betekenisverlening..................................19
5.3.2 Contextniveau van nader bekeken...............................................................................20
5.4 Axioma 4: “ieder zijn waarheid”......................................................................................... 21
5.4.1 Werkelijkheidsordening of betekenisverlening.............................................................21
5.4.2 Op zoek naar de betekenis voor mensen.....................................................................22
5.4.3 Herkaderen.................................................................................................................. 22
5.4.4 Werken met hypothesen..............................................................................................22
5.5 Axioma 5: wie heeft het voor het zeggen? Wie laat het voor het zeggen (symetrische en
complementaire relaties)......................................................................................................... 23
1. DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE
1.1 SYSTEMISCH WERKEN – ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE – SYSTEEM
- Term ‘systeem’ = Samenstellen of bijeenplaatsen
- Ludwig Von Bertalanffy, definitie systeem: een aantal elementen die met elkaar ion
interactie staan. Geheel is meer dan de som van de delen.
- Systeem kan je niet horen of zien, het is een abstracte constructie
- AST maakt complexe gehelen ordenen mogelijk en overzichtelijk te maken.
1.2 ONTSTAAN VAN DE ALGEMENE SYSTEEMTHEORIE
- Afkomst in biologie, organismen als open systeem
- Holistische kijk: organismen bekijken in wisselwerking met hun omgeving
- In 1956 eerste artikel over disfunctie van mensen gezocht in omgeving en systeem ( niet in
individu)
- Pioniers AST: Watzlawicks, Bateson, Donald Jackson, Jay Haley – Grondlegger: Salvador
Minuchin
1.3 SITUERING VAN DE SYSTEEMTHEORIE
- Menselijk gedrag is complex gegeven
2
, - Reden van disfunctioneren mensen volgens systeemtheorie
gezocht in omgeving, systeem van individu en relaties en
interacties tussen mensen
- AST samen met behaviorisme enkel kijken naar
waarneembaar gedrag, niet innerlijke processen, driften, …
- Vooral toevoeging van elementen uit context denken die
Waarneembaar
plaats krijgen in systeemtheorie gedrag
1.4 DE AST: VAN EEN PERSOONSGERICHTE NAAR EEN RELATIEGERICHTE BENADERING: HET
BELANG VAN DE WISSELWERKING
- Individueel probleem: klachten over 1 persoon maar staan in relatie tot elkaar, wederzijdse
beïnvloeding
- Verspreiding systeemdenken hing samen met aantal ontwikkelingen:
o Herverdeling tussen gezin en arbeid
o Normalisatie- en integratieprincipe
o Wet van 1965
o Secularisatie van de zorg
o Opkomst ouderverenigingen
- Hedendaags agogische werker inzicht in de verschillende systeemdimensies
- Ook belang voor zicht op eigen roots, je werkt met jezelf als instrument
- Van persoonsgericht naar relatiegericht:
Meerdere
beïnvloedende
1.5 DE AST: VAN EEN LINEAIRE OORZAKELIJKHEID NAAR EEN CIRCULAIRE OORZAKELIJKHEID
- Lineaire causaal denken: AB
3