ECONOMIE A6 – GOEDE TIJDEN, SLECHTE TIJDEN
, Hoofdstuk 1
§1.1
Bij hoe “goed” het gaat met de economie kijken we naar het reël BBP. Dit is een
golfbeweging die eindeloos doorgaat en dit noem je een conjunctuur
Als die groei onder 0 is dan is er een economische krimp. Boven 0 is het een economische
groei. Over langere tijd is er een trendlijn te tekenen. Alles boven de trend is een
hoogconjunctuur en alles onder de trendlijn is laagconjunctuur.
Het verschil tussen de potentiële productie en de werkelijke productie is de output gap
Hoogconjunctuur -> positieve output gap, overbesteding, kans op meer inflatie, meer
vacatures, werkloosheid neemt af, veel consumentenvertrouwen, hoge bezettingsgraad
Laagconjunctuur -> negatieve output gap, onderbesteding, kans op minder inflatie, minder
vacatures, werkloosheid neemt toe, weinig consumentenvertrouwen, lage bezettingsgraad
Werkloosheid als gevolg van een negatieve output gap = conjuncturele werkloosheid.
§1.2
De overheid wilt de pieken en dalen in de conjunctuur matigen en dit kunnen ze doen met
automatische stabilisatoren.
- Sociale zekerheidsstelsel -> werkloosheidwetgeving waardoor de afname van
koopkracht beperkt blijft in jaagconjunctuur
- Progressief belastingstelsel -> de gemiddelde belastingdruk stijgt als de inkomens
stijgen. Als in een periode van hoogconjunctuur de bruto-inkomens stijgen, stijgt het
besteedbaar inkomen in verhouding minder. In een periode van laagconjunctuur
geldt het tegenovergestelde.
- Minimumloon -> in tijden van laagconjunctuur willen bedrijven misschien de lonen
verlagen maar er is dus een minimumloon waardoor de koopkracht gedeeltelijk
wordt behouden.
Sommige economen vinden dat de overheid actief conjuncturele schommelingen moet
beperken = conjunctuurbeleid
De Britse econoom Keynes is de bedenker van anticyclisch conjunctuurbeleid. Hij benadrukt
de vraagkant van de economie. Bij laagconjunctuur moet de overheid juist uitgeven en bij
hoogconjunctuur juist sparen. Door bijvoorbeeld de belastingen te verlagen kan de overheid
uitgaven stimuleren. Hierdoor schommelt de economie minder.
Het is moeilijk voor de overheid om anticyclisch beleid toe te passen door:
- Stand van de conjunctuur -> deze is niet altijd goed vast te stellen
- Politieke besluitvorming kost tijd
- Goede timing is moeilijk
, Hoofdstuk 1
§1.1
Bij hoe “goed” het gaat met de economie kijken we naar het reël BBP. Dit is een
golfbeweging die eindeloos doorgaat en dit noem je een conjunctuur
Als die groei onder 0 is dan is er een economische krimp. Boven 0 is het een economische
groei. Over langere tijd is er een trendlijn te tekenen. Alles boven de trend is een
hoogconjunctuur en alles onder de trendlijn is laagconjunctuur.
Het verschil tussen de potentiële productie en de werkelijke productie is de output gap
Hoogconjunctuur -> positieve output gap, overbesteding, kans op meer inflatie, meer
vacatures, werkloosheid neemt af, veel consumentenvertrouwen, hoge bezettingsgraad
Laagconjunctuur -> negatieve output gap, onderbesteding, kans op minder inflatie, minder
vacatures, werkloosheid neemt toe, weinig consumentenvertrouwen, lage bezettingsgraad
Werkloosheid als gevolg van een negatieve output gap = conjuncturele werkloosheid.
§1.2
De overheid wilt de pieken en dalen in de conjunctuur matigen en dit kunnen ze doen met
automatische stabilisatoren.
- Sociale zekerheidsstelsel -> werkloosheidwetgeving waardoor de afname van
koopkracht beperkt blijft in jaagconjunctuur
- Progressief belastingstelsel -> de gemiddelde belastingdruk stijgt als de inkomens
stijgen. Als in een periode van hoogconjunctuur de bruto-inkomens stijgen, stijgt het
besteedbaar inkomen in verhouding minder. In een periode van laagconjunctuur
geldt het tegenovergestelde.
- Minimumloon -> in tijden van laagconjunctuur willen bedrijven misschien de lonen
verlagen maar er is dus een minimumloon waardoor de koopkracht gedeeltelijk
wordt behouden.
Sommige economen vinden dat de overheid actief conjuncturele schommelingen moet
beperken = conjunctuurbeleid
De Britse econoom Keynes is de bedenker van anticyclisch conjunctuurbeleid. Hij benadrukt
de vraagkant van de economie. Bij laagconjunctuur moet de overheid juist uitgeven en bij
hoogconjunctuur juist sparen. Door bijvoorbeeld de belastingen te verlagen kan de overheid
uitgaven stimuleren. Hierdoor schommelt de economie minder.
Het is moeilijk voor de overheid om anticyclisch beleid toe te passen door:
- Stand van de conjunctuur -> deze is niet altijd goed vast te stellen
- Politieke besluitvorming kost tijd
- Goede timing is moeilijk