OPDRACHT WEEK 1
Finley Geerlings (2655459)
Emmy Pordon (2622447)
Sanne Westerhout (2649941)
1. In het paper van Gainotti (2021) wordt uitgebreid stilgestaan bij het gegeven dat
anosognosie voor hemiplegie vaker voorkomt bij schade aan de rechter hemisfeer
dan bij schade aan de linker hemisfeer. Sommige onderzoekers beweerden dat dit
verschil te verklaren zou kunnen zijn door een ‘selection bias’. Leg uit door welk
syndroom deze selection bias zou kunnen worden verklaard.
Het syndroom dat de selection bias kan verklaren betreft globale afasie. Berthier (2012)
beschrijft in zijn artikel dat afasie, het verlies of drastische vermindering van de taal, optreedt
bij 21 tot 37% van de patiënten na een beroerte. De oorzaak is vaak een beschadiging van
de linkerhemisfeer. Patiënten met globale afasie zijn vaak niet in staat om de vragen van de
onderzoekers te begrijpen of goed te communiceren over hun hemiplegie. Dit is dan ook de
reden dat veel onderzoekers als criteria hebben dat deelnemers in staat moeten zijn om
goed te kunnen communiceren. Vaak vallen daarbij patiënten met schade in de
linkerhemisfeer af vanwege hun afasie, waardoor selection bias ontstaat.
2. Volgens Gainotti (2021) zou anosognosie voor hemiplegie ook een gevolg kunnen
zijn van ‘denial’. Wat wordt hiermee bedoeld? Waarom zou ‘denial’, volgens de
auteurs, vaker voorkomen bij schade aan de rechter hemisfeer dan bij schade aan
de linker hemisfeer?
‘Denial’, ofwel ontkenning, houdt in dat patiënten hun hemiplegie weigeren de realiteit te
accepteren om leed, angst en depressie te verminderen na de beroerte. Het is dus een
primitief, krachtig verdedigingsmechanisme, wat ertoe leidt dat de hemiplegie in hun
bewustzijn wordt geblokkeerd. Bij een beschadiging van de rechterhemisfeer vindt er
hyperactivatie van de linker hemisfeer plaats, in het bijzonder de gebieden mediale
prefrontale cortex en de temporoparietele-occopitale kruising, die volgens Gerretsen et al.
(2016) gelinkt zijn aan ‘denial’. Over het algemeen leidt namelijk een laesie in de rechter
hemisfeer tot abnormale emotionele reacties, terwijl bij een beschadiging van de
linkerhemisfeer er eerder passende dramatische emoties optreden, wat minder snel leidt tot
‘denial’.
3. In het paper van Berti & Pia (2006) en het paper van Jenkinson et al. (2009) wordt
een verklaringsmechanisme besproken van anosognosie met de nadruk op de
theorie van motor control; een zgn feedforward model. De auteurs benadrukken het
belang van ‘een ‘intentional system’, een ‘movement predictor’, een ‘comparator’ en
van de somatosensorische informatie. Bij welk(e) onderdeel(en) gaat het meest
waarschijnlijk mis bij patiënt LO?
Bij patiënt LO zit er waarschijnlijk een defect in de comparator van het somatosensorische
systeem. Dit systeem is namelijk verantwoordelijk voor het controleren of de sensorische
voorspelling van een motorische actie overeenkomt met de werkelijke sensorische
informatie na het uitvoeren van de motorische actie. Wanneer deze niet overeenkomen,
wordt er een mismatch gedetecteerd door de comparator, wat leidt tot motorisch bewustzijn.
Door een defect in de comparator bij patiënten met anosognosie wordt deze mismatch niet
waargenomen, waardoor er illusionaire motorisch bewustzijn optreedt, dit zien we terug bij
LO.
Finley Geerlings (2655459)
Emmy Pordon (2622447)
Sanne Westerhout (2649941)
1. In het paper van Gainotti (2021) wordt uitgebreid stilgestaan bij het gegeven dat
anosognosie voor hemiplegie vaker voorkomt bij schade aan de rechter hemisfeer
dan bij schade aan de linker hemisfeer. Sommige onderzoekers beweerden dat dit
verschil te verklaren zou kunnen zijn door een ‘selection bias’. Leg uit door welk
syndroom deze selection bias zou kunnen worden verklaard.
Het syndroom dat de selection bias kan verklaren betreft globale afasie. Berthier (2012)
beschrijft in zijn artikel dat afasie, het verlies of drastische vermindering van de taal, optreedt
bij 21 tot 37% van de patiënten na een beroerte. De oorzaak is vaak een beschadiging van
de linkerhemisfeer. Patiënten met globale afasie zijn vaak niet in staat om de vragen van de
onderzoekers te begrijpen of goed te communiceren over hun hemiplegie. Dit is dan ook de
reden dat veel onderzoekers als criteria hebben dat deelnemers in staat moeten zijn om
goed te kunnen communiceren. Vaak vallen daarbij patiënten met schade in de
linkerhemisfeer af vanwege hun afasie, waardoor selection bias ontstaat.
2. Volgens Gainotti (2021) zou anosognosie voor hemiplegie ook een gevolg kunnen
zijn van ‘denial’. Wat wordt hiermee bedoeld? Waarom zou ‘denial’, volgens de
auteurs, vaker voorkomen bij schade aan de rechter hemisfeer dan bij schade aan
de linker hemisfeer?
‘Denial’, ofwel ontkenning, houdt in dat patiënten hun hemiplegie weigeren de realiteit te
accepteren om leed, angst en depressie te verminderen na de beroerte. Het is dus een
primitief, krachtig verdedigingsmechanisme, wat ertoe leidt dat de hemiplegie in hun
bewustzijn wordt geblokkeerd. Bij een beschadiging van de rechterhemisfeer vindt er
hyperactivatie van de linker hemisfeer plaats, in het bijzonder de gebieden mediale
prefrontale cortex en de temporoparietele-occopitale kruising, die volgens Gerretsen et al.
(2016) gelinkt zijn aan ‘denial’. Over het algemeen leidt namelijk een laesie in de rechter
hemisfeer tot abnormale emotionele reacties, terwijl bij een beschadiging van de
linkerhemisfeer er eerder passende dramatische emoties optreden, wat minder snel leidt tot
‘denial’.
3. In het paper van Berti & Pia (2006) en het paper van Jenkinson et al. (2009) wordt
een verklaringsmechanisme besproken van anosognosie met de nadruk op de
theorie van motor control; een zgn feedforward model. De auteurs benadrukken het
belang van ‘een ‘intentional system’, een ‘movement predictor’, een ‘comparator’ en
van de somatosensorische informatie. Bij welk(e) onderdeel(en) gaat het meest
waarschijnlijk mis bij patiënt LO?
Bij patiënt LO zit er waarschijnlijk een defect in de comparator van het somatosensorische
systeem. Dit systeem is namelijk verantwoordelijk voor het controleren of de sensorische
voorspelling van een motorische actie overeenkomt met de werkelijke sensorische
informatie na het uitvoeren van de motorische actie. Wanneer deze niet overeenkomen,
wordt er een mismatch gedetecteerd door de comparator, wat leidt tot motorisch bewustzijn.
Door een defect in de comparator bij patiënten met anosognosie wordt deze mismatch niet
waargenomen, waardoor er illusionaire motorisch bewustzijn optreedt, dit zien we terug bij
LO.