PSYCHOLOGIE
HC1 – WAARNEMING, GEWAARWORDING
H1 WAT IS PSYCHOLOGIE
1.1 Definitie psychologie
- “Wetenschap die gedrag bestudeert, waarbij gedragsevidendtie wordt gebruikt om
interne processen te begrijpen die aan de basis liggen van dat gedrag”
Drie factoren die gedrag beïnvloeden
- Biologische factoren
- Cognities
- Interacties met andere mensen
1.5 Belang van biologische factoren
Werking centraal zenuwstelsel heeft invloed op gedrag => verandering persoonlijkheid
- Alzheimer => meest voorkomende hersenaandoening
- Medicatie => chemische werking op hersenen
- Invloed lichaam op geest
o Mensen met volle blaas kiezen voor grotere winst op LT omdat ze meer controle
hebben over eigen lichaam
Erfelijkheid
- Invloed van omgeving op intelligentie => niet enkel genen
o Tweelingonderzoek toont aan dat correlatie verschilt bij andere
opvoedingsmanier
Invloeden vanuit menselijke evolutie
- Monogaam => mannetjesvogel draag bij aan opvoeding
- Polygaan => meerdere partners (haan)
1.6 Onmisbaarheid van cognities
Blackbox => niet weten wat er in hoofd gebeurt/afspeelt (S-R-connecties)
- Invloed van kennis
o Tekst lezen met klinkers in foute volgorde
o Rechtenstudent denkt aan iets anders dan cafébaas bij het horen van “advocaat”
,1.7 Mens maakt deel uit van groep
5 cultuurdimensies van Hofstede
1. Grote matchtsafstand ó kleine machtsafstand
2. Individualistisch ó collectivistisch
3. Masculien ó feminien
4. Lage onzekerheidsvermeiding ó hoge onzekerheidsvermeiding
5. Kortetermijngerichtheid ó langetermijngerichtheid
Weird-people
- Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic
- Meeste onderzoeken met ‘Weird’ correspondenten => niet representatief voor andere
culturen
Nature vs Nurture
- Nature => genen, aangeboren
- Nurture => omgeving, ervaringen, gebeurtenissen
H3 GEWAARWORDING
3.1 Gewaarwording vs waarneming
- Gewaarwording => fysiek proces (geluid)
- Waarneming => cognitief proces (beeld)
- Prikkel -> registrerend orgaan -> waarnemend orgaan
- Waarneming = zelfde // interpretatie hetzelfde
o Vervormde cowboy + appel met stuk uit
Alle zintuigen (11)
- Ruiken, zien, horen, voelen, proeven
- Pijn
- Temperatuur
- Evenwichtsgevoel
- Interoceptie => gevoel van honger
- Kinesthesie => gevoel spieren, gewrichten
- Jeuk
,H4 DE WAARNEMING
4.1 Van zintuiglijke gewaarwording naar waarneming
1. Visuele signaal is beperkt en verandert voortdurend
Hersenen vullen beeld aan
o Onvolledig beeld, beelden on netvlies plat => geven er zelf volume aan
o Deur die opengaat + half cola logo kunnen we herkennen en maken we af
2. Streven naar perceptuele constantie
o Distale stimulus => fysiek
o Proximale stimulus => energie die receptoren registreren
3. Waarneming als heuristisch interpretatieproces
o Gebaseerd op illusies
§ Iets ver weg is niet noodzakelijk klein
§ Holle en bolle cirkels
§ Parallellogram
§ Lijnstuk, …
o Laterale inhibitie => raster van Hermann
§ Onderscheidt tussen lich en donker resulteert in samenkomst van
inhibitie => ontstaan zwarte stippen op intersectie
, PSYCHOLOGIE
HC2 – AANDACHT, COGNITIEVE CONTROLE & BEWUSTZIJN
H5 AANDACHT, COGNITIEVE CONTROLE & BEWUSTZIJN
5.1 Aandacht: het selecteren van informatie
Selectieve aandacht
- Dichotisch luisteren
o Experiment met dichotisch luisteren (2 verhalen gelijktijdig luisteren, …)
- Verschuiving van aandacht (Paradigma van Posner)
o Pijl die aanwijst waar symbool ging komen zorgt dat men sneller kon reageren
- Inegratie van kenmerken => pop-out effect
o Rode S zoeken tussen allemaal T’s
- Zaklantaarn of zoomlens experiment Lavie
o Exp: doelletters konden beter genegeerd worden als ze tussen andere letters
stonden tegeover alleen X-Z
- Bottom-up vs top-down aandacht
o Bottom up => aandacht gevangen door gebeurtenis in omgeving
o Top down => geest bepaald waar aandacht naar gestuurd wordt
§ Cirkel met rondjes en rechthoek is het streepje horizontaal of verticaal =
moeilijk als cirkel rood wordt
- Aandacht gedeeltelijk plaatselijk en voorwerp gebonden
o Twee staafjes waar rood balkje in komt => aandacht wordt verlegd bij hint
- Aandacht en inhibitie: negatieve priming
o Zeg wat in het groen staat (paddenstoel => verbannen uit gedachten)
- Terugkeerinhibitie
o Lichtjes in vierkantje => als hint weggaat dan keert aandacht terug naar
centrum van de 3 vierkantjes
- Veranderingsblindheid
o Fotos die veranderen
o Arbeiders met plank => arbeider verwisselt
- Aandachtsproblemen na hersenaandoening
o Hemineglect: enkel aandacht aan helft van gezichtsveld
o De Bourdontest: zeg hoeveel stipjes er per groepje zijn
HC1 – WAARNEMING, GEWAARWORDING
H1 WAT IS PSYCHOLOGIE
1.1 Definitie psychologie
- “Wetenschap die gedrag bestudeert, waarbij gedragsevidendtie wordt gebruikt om
interne processen te begrijpen die aan de basis liggen van dat gedrag”
Drie factoren die gedrag beïnvloeden
- Biologische factoren
- Cognities
- Interacties met andere mensen
1.5 Belang van biologische factoren
Werking centraal zenuwstelsel heeft invloed op gedrag => verandering persoonlijkheid
- Alzheimer => meest voorkomende hersenaandoening
- Medicatie => chemische werking op hersenen
- Invloed lichaam op geest
o Mensen met volle blaas kiezen voor grotere winst op LT omdat ze meer controle
hebben over eigen lichaam
Erfelijkheid
- Invloed van omgeving op intelligentie => niet enkel genen
o Tweelingonderzoek toont aan dat correlatie verschilt bij andere
opvoedingsmanier
Invloeden vanuit menselijke evolutie
- Monogaam => mannetjesvogel draag bij aan opvoeding
- Polygaan => meerdere partners (haan)
1.6 Onmisbaarheid van cognities
Blackbox => niet weten wat er in hoofd gebeurt/afspeelt (S-R-connecties)
- Invloed van kennis
o Tekst lezen met klinkers in foute volgorde
o Rechtenstudent denkt aan iets anders dan cafébaas bij het horen van “advocaat”
,1.7 Mens maakt deel uit van groep
5 cultuurdimensies van Hofstede
1. Grote matchtsafstand ó kleine machtsafstand
2. Individualistisch ó collectivistisch
3. Masculien ó feminien
4. Lage onzekerheidsvermeiding ó hoge onzekerheidsvermeiding
5. Kortetermijngerichtheid ó langetermijngerichtheid
Weird-people
- Western, Educated, Industrialized, Rich, Democratic
- Meeste onderzoeken met ‘Weird’ correspondenten => niet representatief voor andere
culturen
Nature vs Nurture
- Nature => genen, aangeboren
- Nurture => omgeving, ervaringen, gebeurtenissen
H3 GEWAARWORDING
3.1 Gewaarwording vs waarneming
- Gewaarwording => fysiek proces (geluid)
- Waarneming => cognitief proces (beeld)
- Prikkel -> registrerend orgaan -> waarnemend orgaan
- Waarneming = zelfde // interpretatie hetzelfde
o Vervormde cowboy + appel met stuk uit
Alle zintuigen (11)
- Ruiken, zien, horen, voelen, proeven
- Pijn
- Temperatuur
- Evenwichtsgevoel
- Interoceptie => gevoel van honger
- Kinesthesie => gevoel spieren, gewrichten
- Jeuk
,H4 DE WAARNEMING
4.1 Van zintuiglijke gewaarwording naar waarneming
1. Visuele signaal is beperkt en verandert voortdurend
Hersenen vullen beeld aan
o Onvolledig beeld, beelden on netvlies plat => geven er zelf volume aan
o Deur die opengaat + half cola logo kunnen we herkennen en maken we af
2. Streven naar perceptuele constantie
o Distale stimulus => fysiek
o Proximale stimulus => energie die receptoren registreren
3. Waarneming als heuristisch interpretatieproces
o Gebaseerd op illusies
§ Iets ver weg is niet noodzakelijk klein
§ Holle en bolle cirkels
§ Parallellogram
§ Lijnstuk, …
o Laterale inhibitie => raster van Hermann
§ Onderscheidt tussen lich en donker resulteert in samenkomst van
inhibitie => ontstaan zwarte stippen op intersectie
, PSYCHOLOGIE
HC2 – AANDACHT, COGNITIEVE CONTROLE & BEWUSTZIJN
H5 AANDACHT, COGNITIEVE CONTROLE & BEWUSTZIJN
5.1 Aandacht: het selecteren van informatie
Selectieve aandacht
- Dichotisch luisteren
o Experiment met dichotisch luisteren (2 verhalen gelijktijdig luisteren, …)
- Verschuiving van aandacht (Paradigma van Posner)
o Pijl die aanwijst waar symbool ging komen zorgt dat men sneller kon reageren
- Inegratie van kenmerken => pop-out effect
o Rode S zoeken tussen allemaal T’s
- Zaklantaarn of zoomlens experiment Lavie
o Exp: doelletters konden beter genegeerd worden als ze tussen andere letters
stonden tegeover alleen X-Z
- Bottom-up vs top-down aandacht
o Bottom up => aandacht gevangen door gebeurtenis in omgeving
o Top down => geest bepaald waar aandacht naar gestuurd wordt
§ Cirkel met rondjes en rechthoek is het streepje horizontaal of verticaal =
moeilijk als cirkel rood wordt
- Aandacht gedeeltelijk plaatselijk en voorwerp gebonden
o Twee staafjes waar rood balkje in komt => aandacht wordt verlegd bij hint
- Aandacht en inhibitie: negatieve priming
o Zeg wat in het groen staat (paddenstoel => verbannen uit gedachten)
- Terugkeerinhibitie
o Lichtjes in vierkantje => als hint weggaat dan keert aandacht terug naar
centrum van de 3 vierkantjes
- Veranderingsblindheid
o Fotos die veranderen
o Arbeiders met plank => arbeider verwisselt
- Aandachtsproblemen na hersenaandoening
o Hemineglect: enkel aandacht aan helft van gezichtsveld
o De Bourdontest: zeg hoeveel stipjes er per groepje zijn