100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Medische kennis 2.1

Rating
-
Sold
-
Pages
44
Uploaded on
15-01-2023
Written in
2020/2021

Samenvatting van de lesstof van medische kennis 2.1

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
January 15, 2023
Number of pages
44
Written in
2020/2021
Type
Summary

Subjects

Content preview

Medische kennis; anatomie en fysiologie
Week 1

Cel > weefsel > orgaan > functioneel systeem (orgaanstelsel) > mens
Metabolisme = stofwisseling, biochemische reacties die in de cellen plaatsvinden
- Anabole reacties = opbouwstofwisseling (assimilatie) = kleine moleculen worden
samengevoegd tot grotere
- Katabole reacties = afbraakstofwisseling (dissimilatie) = omzettingen waarbij grotere
moleculen worden afgebroken tot kleinere

Alle chemische reacties in het lichaam verlopen door enzymen.
- Enzymen zijn eiwitten die door het lichaam worden gemaakt
- Enzymen zijn reactieversnellers, kunnen biochemische reacties razendsnel laten
verlopen

Cytoplasma/protoplasma/cytosol
- Geleiachtig vocht, bestaat uit water met opgeloste eiwitten, koolhydraten, vetten en
zouten
- Bevat een groot aantal organellen

Celorganel Functie/uitleg
Ribosomen - Kleine, bolvormige deeltjes die of los rondzweven in het cytosol of vastzitten a
membraansysteem
- Bestaan uit verschillende eiwitten
- Heeft een ‘eigen’ RNA > rRNA
- Spelen een essentiële rol bij de eiwitsynthese
Endoplasmatisch - Letterlijk: netwerk in het plasma
reticulum (ER) - Membranensysteem van platte holten, blaasjes en verbindingsbuisjes
- Ruw ER = bevat ribosomen aan het buitenoppervlak, draagt bij aan de produc
eiwitten in samenwerking met de ribosomen
- Glad ER = speelt een rol bij de cholesterol- en lipidenaanmaak voor celmembr
en is betrokken bij bepaalde biochemische processen in het cytosol
Golgicomplex - Bestaat uit een stapeltje holle schijven die met elkaar in verbinding staan
- Houdt verband met de werking van het ER
- De in het ER gevormde stoffen worden naar het golgicomplex vervoerd en ver
verwerkt
- Hierin wordt het lysosoom gevormd
Lysosomen - Door het golgicomplex gevormd
- Bevatten veel verschillende enzymen
- Betrokken bij katabole processen
- Spelen een belangrijke rol bij de intracellulaire vertering van voedseldeeltjes
- Houden zich bezig met het opruimen van ongerechtigheden in de cel
- Slaan onbruikbare en schadelijke stoffen op
Mitochondriën - Energieleveranciers van de cel
- Langwerpig en glad
- Bestaat uit enzymen die zorgen voor celademhaling
Centrosoom - Spoellichaampje
- Bestaan uit 2 identieke cilindervormige structuurtjes (centriolen
- Wordt actief op het moment dat de cel gaat delen, het verdubbelt zich dan en
de deling geven ze de richting aan waarin de celdeling plaatsvindt

,Celmembraan/plasmamembraan
- Schermt de intracellulaire ruimte af van het omringde milieu in de extracellulaire
ruimte
- Zorgt ervoor dat er geen stoffen ‘zomaar’ kunnen uitlekken of ongewenste stoffen
‘zomaar’ kunnen binnendringen
- Bestaat uit een dubbele laag fosfolipiden
o Vetmolecuul met een kop- en staartgedeelte
o Het kopgedeelte bestaat uit fosfor > fosfaatgroep
o Het staartgedeelte bestaat uit vet > lipide
o In deze laag ‘dobberen’ eiwitmoleculen > membraaneiwitten

Passief transport
- Uitwisseling van stoffen via de celmembraan
- Gebaseerd op diffusie en osmose
o Diffusie = beweging van deeltjes van een plaats waar ze in een hoge
concentratie voorkomen naar een plaats waar de concentratie kleiner is
o Osmose = diffusie van water via een semipermeabele (half doorlaatbare)
membraan
- Celmembraan is permeabel (doorlaatbaar) voor gassen als CO2 en O2
- Celmembraan is niet permeabel voor andere opgeloste stoffen als water

Actief transport
- Hierbij moeten deeltjes van een ruimte met een lage concentratie opgeloste stoffen
naar een ruimte met een hoge concentratie opgeloste stoffen gebracht worden

Nucleus/celkern
- Stuurt alle stofwisselingactiviteiten aan in de cel
- Zonder nucleus kan een cel niet lang leven
- Bevat erfelijke eigenschappen van het individu
- Bestaat uit nucleoplasma (kernplasma), omgeven door kernmembraan
- Bevat desoxyribonucleïnezuur (DNA)
- In het nucleoplasma bevinden zich een of meerdere nucleoli (kernlichaampjes), hierin
wordt het ribonucleïnezuur (RNA) gemaakt

DNA
- Lange keten van moleculen
- Ziet eruit als een touwladder in spiraalvorm (wenteltrap)
- Bestaan uit afwisselend een suikermolecuul (desoxyribose) en een fosfaatmolecuul
(fosforzuur)
- Stikstofbasen:
o A = adenine
o T = thymine
o C = cytosine
o G = guanine
- Tegen over een A in de DNA-keten ligt altijd een T in de andere keten
- Een C is altijd aan een G gekoppeld
- Het RNA-molecuul is bijna identiek aan het DNA-molecuul, maar bestaat uit één
keten en de stikstofbase thymine is vervangen door uracil (U)
- Een stukje DNA dat de code van een eiwit bevat heet een gen

Gen
- Bladzijde van een boek
- Allelen > varianten van het gen
- Iedereen heeft 2 allelen per gen (1 van vader en 1 van moeder)

, - Elk allel codeert voor een eiwit
Chromosoom
- Boek
- 23 paren > 46 chromosomen
- 23 chromosomen van vader, 23 chromosomen van moeder
- 22 homologe paren
- 1 geslachtspaar: XX (vrouw) of XY (man)

Humane genoom = elke set van 23 chromosomen in de haploïde geslachtscel die de totale
erfelijke code van een mens bevat
Locus = de plaats waar het gen in het chromosoom te vinden is
Karyogram = soort chromosoomonderzoek, rangschikken van de homologe
chromosomenparen naar grootte en vorm
Homozygoot = 2 dezelfde allelen voor een eigenschap
Heterozygoot = 2 verschillende allelen voor een eigenschap
Dominant = overheersend allel
Recessief = onderdrukte allel
Fenotype = waarneembare eigenschappen van een mens
Genotype = erfelijke eigenschappen op het chromosoom

Epigenetica
- Genetica = erfelijkheidsleer
- Beïnvloeding/gebruik genen
- Welke genen ‘aan’ staan en welke genen ‘uit’ staan

Eiwitsynthese
- DNA streng > (transcriptie) > mRNA > (translatie) > eiwit
o mRNA = spiegelbeeld van de oorspronkelijke DNA-keten

Diploïd = lichaamscellen
Haploïd = geslachtscellen (gameten)

Levenscyclus van de cel
1. Delingsfase > mitose
2. Groeifase
- Toename van cytosol, opnemen van water, bijmaken van celmembranen,
plasmamembranen en organellen
- Eiwitsynthese komt op gang
3. Functionele fase
- Cel differentieert om zijn specifieke functie uit te gaan oefenen

Mitose
- Celdeling
- Hoeveelheid chromosomen blijft gelijk
- 2n cel > 2n cel

Meiose Erfelijke delingen/reductiedeling
- Hoeveelheid chromosomen wordt gehalveerd
- 2n cel > n cel
- Vindt alleen plaats in de geslachtsorganen
- Meiose I = daadwerkelijke splitsing van het aantal chromosomen
- Meiose II = celdeling van 2 haploïde dochtercellen

Verschil mitose & meiose = mitose geef identieke cellen en bij meiose zijn de genetische
eigenschappen niet identiek

, Wanneer een cel (moedercel) deelt worden er 2 cellen (dochtercellen) gevormd.

2n = 46 chromosomen, n = 23 chromosomen

Exogene factoren = van buitenaf, omgevingsfactoren
- Micro-organismen en wormen
- Chemische factoren (sigaretten, alcohol, schoonmaakmiddelen)
- Fysische factoren (ongeval, mishandeling)
- Voedingsgebrek of overvoeding
- Stressfactoren

Endogene factoren = van binnenuit, erfelijke factoren
- Vanaf de bevruchting vastgelegd in de genen
- Afwijkingen kunnen meteen bij de pasgeborene tot uiting komen maar ook pas jaren
later
- Autosomaal recessieve aandoeningen, autosomaal dominante aandoeningen en
geslachtsgebonden recessieve aandoeningen

Autosomaal recessieve aandoeningen
- Hierbij wordt alleen het kind ziek doordat het van beide ouders een afwijkend gen
heeft gekregen
- Een recessief gen komt alleen tot uiting met een gelijk gen op het andere
chromosoom
- De ouders hebben gewoonlijk 1 normaal en 1 afwijkend gen, waardoor het bij hen
niet tot uiting komt
- Als beide ouders drager zijn is de kans op het krijgen van:
o Een ziek kind > 25%
o Een drager > 50%
o Een gezond kind, niet drager > 25%
- Voorbeelden van aandoeningen zijn cystic fibrose (taaislijmziekte) phenylketonurie
(phenylalanine in voeding wordt niet verdragen), congenitale hypothyreoïdie
(aangeboren schildklierhormoongebrek) en adrenogenitaal syndroom (groei van
clitoris en fusie schaamlippen)

Autosomaal dominante aandoeningen
- 1 afwijkend gen veroorzaakt een ziekte
- Dominante genen komen tot uiting ongeacht de partner
- De zieke ouder heeft vrijwel altijd 1 normaal en 1 afwijkend gen
- Een patiënt en een gezonde partner hebben:
o 50% kans op het krijgen van een kind met een aandoening
o 50% kans op het krijgen van een kind zonder de aandoening
- Voorbeelden van aandoeningen zijn familiaire hypercholesterolemie (te hoog
bloedcholesterol), ziekte van Huntington (onwillekeurige bewegingen en
dementering) en polyposis coli (veel poliepen/gezwelletjes in de dikke darm)
$7.76
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
fabiennnne

Get to know the seller

Seller avatar
fabiennnne Hanzehogeschool Groningen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
0
Member since
3 year
Number of followers
0
Documents
7
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions