Ontwikkelingspsychologie en stoornissen
Vroegere denkbeelden: geen aparte status/behandeling kind
Middeleeuwen -> Kinderen zijn miniatuurvolwassenen
Reformatie -> kinderen zondig en moeten geciviliseerd worden
Verlichting -> kind komt leeg op de wereld, ouders vormen het met liefde en kennis
Vanaf 20e eeuw: opkomst kinder- en jeugdpsychiatrie
Een kind kan systematische bestuurd worden
Kind is in ontwikkeling en daarbij afhankelijk van omgeving
Ontwikkeling kan verstoord raken
Veel verschillen tussen kinderen en volwassenen
Wat is ontwikkelingspsychologie?
De psychologie van de ontwikkeling van de mens, van de conceptie/geboorte tot aan de ouderdom,
maar met accent op de jaren tot volwassenheid. Kinderpsychologie is onderdeel geworden van de
moderne ontwikkelingspsychologie
Meeste aandacht gaat naar de periode waar de veranderingen elkaar het snelst opvolgen: geboorte
tot aan adolescentie
Kijken naar:
Levensfasen
Invloed van opvoeding of levenservaringen op individu
Invloed van culturele of etnische verschillen
Universele overeenkomsten ( taal spreken )
Ontwikkelingsfasen en stabiele fasen
Over ontwikkelingspsychologie
Onderzoek naar kinderen is onder te verdelen in 5 centrale thema’s ( verschillende
ontwikkelingsgebieden )
Fysieke ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling
Sociale ontwikkeling
Persoonlijkheidsontwikkeling
Morele ontwikkeling
Ontwikkelingspsychologen verdelen kindertijd en adolescentie meestal in:
Prenatale periode ( periode conceptie tot geboorte )
De baby- en peutertijd ( van geboorte tot 3 jaar )
De kleutertijd ( van 3 tot 6 jaar )
De basisschooltijd ( van 6 tot 12 jaar )
De adolescentie ( van 12 tot 20 jaar )
Het belang van verpleegkundige
, De verpleegkundige krijgt in haar werk te maken met zorgvragers van allerlei leeftijden. Om
al deze mensen goed te kunnen begeleiden zal ze goed op de hoogte moeten zijn van de zake
die in verschillende leeftijdsfasen een rol kunnen spelen voor mensen
De verpleegkundigen zal ook moeten weten welke thema’s in de leeftijdsfasen van
volwassenheid en de ouderdom een rol kunnen spelen. Als verpleegkundigen moet je je zo
goed mogelijk kunnen verplaatsen in de belevingswereld van de zorgvrager
De verpleegkundigen kan zich pas met kennis van zaken verdiepen in de afwijkende
ontwikkeling van mensen als ze genoeg af weten van de normale ontwikkeling
De invloed van cohorten op ontwikkeling: ontwikkelen in een sociale wereld
• Ieder mens behoort tot een specifieke cohort: ene groep mensen die rond dezelfde rijd op
dezelfde plek is geboren.
• Mensen die tot een bepaalde cohort behoren, zijn onderhevig aan bepaalde normatieve
gebeurtenissen – Gebeurtenissen die zich voor de meeste individuen binnen een groep op
dezelfde manier volstrekken. Normatieve gebeurtenissen kunnen biologisch, sociaal of
cultureel bepaald zijn.
o Voorbeeld: het bereiken van de pubertijd
• Cohorteffecten treden op als gevolg van normatieve historisch bepaalde invloeden,
biologische en omgevingsinvloeden die verbonden zijn aan een specifiek historisch moment
• Leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische en omgevingsinvloeden die gelijk zijn voor
mensen in een bepaalde leegtijdsgroep, ongeacht waar of wanneer ze opgroeien. (puberteit,
menopauze)
• Ontwikkeling wordt ook bepaald door normatieve invloeden, zoals etnische afkomst, sociale
klasse, lidmaatschap van een subcultuur en andere factoren. Normatieve invloeden zijn
invloeden die leiden tot conformiteit, omdat men de gevolgen van afwijkend gedrag vreest
• Tot slot zijn niet-normatieve gebeurtenissen van invloed op de ontwikkeling. Dit zijn
specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een specifiek persoon op een
tijdstip dat zulke gebeurtenissen de meeste andere mensen niet overkomen
Normatieve gebeurtenissen
Gebeurtenissen die bij de meeste mensen in een cohort zich voltrekken (biologisch, sociaal of
cultureel bepaald) Cohorteffecten zijn het gevolg van normatieve historisch bepaalde invloeden
Niet-normatieve invloeden Specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een specifiek
persoon dat andere mensen niet vaak overkomen.
Gedragswetenschappen lesweek 1
,Cognitieve psychologie
Vertegenwoordiger -> Piaget
• Belangrijkste uitgangspunt cognitieve ontwikkelingstheorieën – het gedrag van kinderen is in
een bepaalde leeftijdsfase een weerspiegeling van hun denk- en kennisniveau
• De grondlegger van het cognitieve ontwikkelingsmodel is Jean Piaget. Zijn conclusie was dat
het oudere kind niet alleen maar intelligenter was dan het jongere kind, maar dat hun
denkwijzen fundamenteel van elkaar verschilden.
• Piaget beschouwde intelligentie als een levensfunctie van de mens die hem in staat stelt zich
aan de eisen van de omgeving aan te passen. Elke intellectuele activiteit heeft als doel een
evenwicht te vinden tussen de gedachtewereld van het individu en diens omgeving.
• De bouwstenen van de intelligentie zijn schema’s of cognitieve structuren – een flexibel
actie- of gedachtepatroon dat bedoeld is om vat te krijgen op een ervaring. Ze breiden zich
uit en veranderen als gevolg vaan toenemende rijping en ervaring.
• Piaget – ‘denken begint met doen’
Functie van intelligentie:
1. Functie 1 - Het organiseren van de beschikbare schema’s in samenhangende, complexere
systemen of kennisgebieden.
2. Functie 2 – de adaptie of aanpassing aan de omgeving. Deze aanpassing komt via twee
complementaire processen tot stand: assimilatie en accommodatie
- Assimilatie – Het proces waarin nieuwe ervaringen worden geïnterpreteerd op basis van
bestaande schema’s. De nieuwe ervaring wordt binnen het beschikbare schema ingepast
(vliegtuig: ‘kijk, vogel’; bisschop: ‘kijk, de Sint’; luciferdoosje is rammelaar)
- Accommodatie – het proces waarin onder invloed van nieuwe ervaringen onze schema’s
worden veranderd. Het schema, onze denkwijze, wordt dusdanig aangepast dat de ervaring
erin opgenomen kan worden.
- Assimilatie en accommodatie wisselen elkaar af. Adaptatie heeft als doel een staat van
evenwicht te handhaven of te herstellen.
- Accommodatie en assimilatie stellen het kind in toenemende mate in staat de wereld om
hem heen te begrijpen, dit hoeft niet per se een correcte afspiegeling van de realiteit te zijn.
4 stadia cognitieve ontwikkeling
1. Sensomotorische fase (0-2 jr.)
2. Pre-operationele fase (2-6 jr.)
3. Concreet-operationele fase (6-12 jr.)
4. Formeel-operationele fase (12 jr. en ouder)
Elke fase heeft eigen typerende kenmerken
Fasen kunnen niet worden overgeslagen
Leeftijdsgrenzen per fase kunnen variëren
, Verloop van proces/fasen is universeel (Piaget)
Sensomotorische fase (0-2 jaar)
• Reflex naar reflectie – na de geboorte heeft de zuigeling slechts beschikking over een aantal
basale reflexen
• In de eerste twee levensjaren ontstaat denken (voornamelijk) door doen
• De term sensomotorisch verwijst naar het belang van zintuiglijke indrukken en motorische
handelingen die de zuigeling in staat stellen het effect van zijn eigen activiteit op de
omgeving te ontdekken en ermee te experimenteren
• Na een maand kleine verschillen in reflexen, na enkele maanden worden handelingen
opzettelijk herhaald. Verschil in handelen levert een verschil in effect op merkt de baby dus
doelgericht handelen. Ook worden op gegeven moment bewegingen gecombineerd
De overgang naar het pre-operationele stadium wordt geluid door de komst van mentale
representaties. Het begin in representaties zien we terug in verschillende gedragingen die tussen de
anderhalf en twee jaar een rol gaan spelen
• Taalverwerving – woorden toepassen
• Fantasiespel – ‘doel alsof’, pop eten geven, motorgeluiden maken
• Indirecte imitatie – geheugen gebruiken door iets (later) na te doen
• Object-permanentie – een van de belangrijkste cognitieve verworvenheden van het
sensomotorische stadium! Dit houdt in dat het kind zich een voorstelling kan maken van een
object als iets tastbaars wat buiten hemzelf bestaat en niet zomaar ophoudt te bestaan, ook
al is het object uit het zicht verdwenen. Het kind ontwikkeld zich van hieruit het inzicht dat
de omgeving niet alleen blijvend is, maar tevens onafhankelijk is van een eigen ‘ik’.
o Volledige objectpermanentie – als het kind gaat zoeken nadat er wordt gezien dat het
weg is.
Pre-operationele fase (2-6 jaar)
• Het vermogen wordt tot representatie uitgebreid en verfijnd. In het begin van dit stadium
creëren peuters hun individuele fantasiewereld. Niemand mag ook zomaar meespelen o.i.d.
later wel. Deze verschuiving van aandacht voor het eigen ik naar aandacht voor de ander is
kenmerkend voor de ontwikkeling die we tijdens en na deze stadium zien: Afnemend
egocentrisme.
• Een ander kenmerk is centratie – wil zeggen dat een kind zijn redeneringen en conclusies laat
leiden door het meest opvallende aspect van een probleem, dat altijd gebonden is aan het
hier en nu. Met andere woorden: er wordt gelet op de toestand en niet het proces naar die
toestand.
• Egocentrisme en centratie leiden beide tot fouten. Dit stadium is als voorbereiding op het
operationele stadium en staat in het teken van wat het kind nog niet kan.
• Conservatie is het inzicht dat de hoeveelheid van een bepaalde stof niet verandert als er iets
aan de vorm van de stof verandert
Concreet operationele fase (6-12 jaar)