Begrippen biomechanica
Biomechanica:
- Biomechanica: Deel van natuurkunde wat gaat over het beschrijven van bewegingen en het kijken
naar de oorzaken van die bewegingen van het menselijk lichaam.
- Bewegingsanalyse: Het gebruiken van de biomechanica op het menselijk bewegen te analyseren.
Denk aan een foutenanalyse maken om te beslissen welke leerhulp nodig is.
- Grootheid: Dat wat je kan meten afstand
- Eenheid: Waarin je meet meter
- Translatie: Verplaatsen zonder om de as te draaien.
- Rotatie: Een draaiing zonde verplaatsing.
Principes van Newton:
- Traagheid: Geeft aan hoe moeilijk of makkelijk een stilstaand voorwerp in beweging is te krijgen of
een bewegend voorwerp is af te remmen.
- Traagheidsprincipe: 1e principe van Newton: Voorwerpen die stil staan, willen stil blijven staan en
verzetten om in beweging te komen. Voorwerpen die bewegen, willen blijven bewegen en verzetten
tegen het tot stilstand komen.
- Onafhankelijkheidsprincipe: 2e principe van Newton: Er moet kracht geleverd worden om een
voorwerp in beweging te krijgen en het voorwerp versnelt in de richting waarin de kracht geleverd is.
- Actie-reactie principe: 3e principe van Newton: Een voorwerp oefent kracht uit op een ander
voorwerp en dat andere voorwerp een even grote, maar tegenstelde kracht uitoefent op het eerste
voorwerp.
Krachten:
- Kracht: Oorzaak van translatie
- F=m·a
- Zwaartekracht: F = m · g
- Valversnelling= g= 9,81 m/s2, afgerond 10 m/s2
- Scalaire grootheden: Grootheden die alleen met de grootte ervan zijn aan te geven, zoals: massa, tijd,
temperatuur etc.
- Vectorgrootheden: Er is een grootte, aangrijpingspunt en een richting, met één factor weet je dus niet
alles, zoals: impuls, snelheid en versnelling.
- Vectoren tekenen: Door pijl met aangrijpingspunt, grootte en richting te tekenen.
- Vectoren ontbinden: Een vector kan ontbonden worden tot twee vectoren. Denk aan een glijbaan. De
Fz trekt je in verticale richting naar beneden. De helling van de glijbaan zorgt dat je niet recht naar
beneden gaat. Om te zien hoe groot het deel van de Fz is wat zorgt dat je naar beneden glijdt moet je
de Fz ontbinden in twee richtingen. Eén in de richting van de glijbaan en één loodrecht daar op.
, 1. Teken een hulplijn in de geïnteresseerde richting (kant van de glijbaan). De hulplijn gaat door
het beginpunt van de te ontbinden vector.
2. Teken een hulplijn loodrecht op hulplijn één. Er is een hoek van 90 graden. De hulplijn gaat
door het beginpunt van de te ontbinden vector.
3. Teken een hulplijn door hulplijn één. Het eindpunt van de vector die je wilt ontbinden
(pijlpunt).
4. Teken een hulplijn door hulplijn twee. Het eindpunt van de vector die je wilt ontbinden.
5. Ontbind de vector in twee vectoren. Ze starten in het zelfde pun t als de vector die je wilt
ontbinden. F1= hulplijn 1 tot kruising hulplijn 4
F2= hulplijn 2, tot kruising hulplijn 3
Zwaartepunt en stabiliteit:
- Zwaartepunt: Een denkbeeldig punt waar omheen alle massa van een voorwerp gelijk verdeeld is. Het
massamiddelpunt. Als er een netto kracht werkt op een voorwerp, dan veroorzaakt deze
kracht een versnelling.
- Lichaamszwaartepunt is dynamisch: Zwaartepunt is ook wel het balanspunt. Alle massa is
hier gelijk verdeeld. LZP: lichaamszwaartepunt. Dit is niet altijd dezelfde plek. Het lichaam
kan van houding veranderen. Vrouw: 55% van de lengte, lzp lager als bij de man.
Man : 57% van de lengte, lzp hoger als bij de vrouw.
- Voordeel uit positie zwaartepunt: Wanneer je in de lucht ledematen beweegt heeft dit geen invloed
op de baan die je lichaamszwaartepunt af legt. De kracht waarmee je afzet geeft je
lichaamszwaartepunt een versnelling. Deze kracht bepaald hoe hoog je lichaamszwaartepunt gaat
komen. Wanneer je lichaamszwaartepunt laag ligt kan je het hoogste rijken. Bij een fosburyflop is je
lichaamszwaartepunt lager als bij een schotse sprong en dus spring je hier hoger.
- Factoren stabiliteit:
1. Grootte steunvlak
2. Hoogte van lichaamszwaartepunt
3. Afstand van lichaamszwaartepunt tot de rand van steunvlak
4. Lichaamsgewicht
Snelheid en versnelling:
- Eenparige beweging: Constante snelheid
Biomechanica:
- Biomechanica: Deel van natuurkunde wat gaat over het beschrijven van bewegingen en het kijken
naar de oorzaken van die bewegingen van het menselijk lichaam.
- Bewegingsanalyse: Het gebruiken van de biomechanica op het menselijk bewegen te analyseren.
Denk aan een foutenanalyse maken om te beslissen welke leerhulp nodig is.
- Grootheid: Dat wat je kan meten afstand
- Eenheid: Waarin je meet meter
- Translatie: Verplaatsen zonder om de as te draaien.
- Rotatie: Een draaiing zonde verplaatsing.
Principes van Newton:
- Traagheid: Geeft aan hoe moeilijk of makkelijk een stilstaand voorwerp in beweging is te krijgen of
een bewegend voorwerp is af te remmen.
- Traagheidsprincipe: 1e principe van Newton: Voorwerpen die stil staan, willen stil blijven staan en
verzetten om in beweging te komen. Voorwerpen die bewegen, willen blijven bewegen en verzetten
tegen het tot stilstand komen.
- Onafhankelijkheidsprincipe: 2e principe van Newton: Er moet kracht geleverd worden om een
voorwerp in beweging te krijgen en het voorwerp versnelt in de richting waarin de kracht geleverd is.
- Actie-reactie principe: 3e principe van Newton: Een voorwerp oefent kracht uit op een ander
voorwerp en dat andere voorwerp een even grote, maar tegenstelde kracht uitoefent op het eerste
voorwerp.
Krachten:
- Kracht: Oorzaak van translatie
- F=m·a
- Zwaartekracht: F = m · g
- Valversnelling= g= 9,81 m/s2, afgerond 10 m/s2
- Scalaire grootheden: Grootheden die alleen met de grootte ervan zijn aan te geven, zoals: massa, tijd,
temperatuur etc.
- Vectorgrootheden: Er is een grootte, aangrijpingspunt en een richting, met één factor weet je dus niet
alles, zoals: impuls, snelheid en versnelling.
- Vectoren tekenen: Door pijl met aangrijpingspunt, grootte en richting te tekenen.
- Vectoren ontbinden: Een vector kan ontbonden worden tot twee vectoren. Denk aan een glijbaan. De
Fz trekt je in verticale richting naar beneden. De helling van de glijbaan zorgt dat je niet recht naar
beneden gaat. Om te zien hoe groot het deel van de Fz is wat zorgt dat je naar beneden glijdt moet je
de Fz ontbinden in twee richtingen. Eén in de richting van de glijbaan en één loodrecht daar op.
, 1. Teken een hulplijn in de geïnteresseerde richting (kant van de glijbaan). De hulplijn gaat door
het beginpunt van de te ontbinden vector.
2. Teken een hulplijn loodrecht op hulplijn één. Er is een hoek van 90 graden. De hulplijn gaat
door het beginpunt van de te ontbinden vector.
3. Teken een hulplijn door hulplijn één. Het eindpunt van de vector die je wilt ontbinden
(pijlpunt).
4. Teken een hulplijn door hulplijn twee. Het eindpunt van de vector die je wilt ontbinden.
5. Ontbind de vector in twee vectoren. Ze starten in het zelfde pun t als de vector die je wilt
ontbinden. F1= hulplijn 1 tot kruising hulplijn 4
F2= hulplijn 2, tot kruising hulplijn 3
Zwaartepunt en stabiliteit:
- Zwaartepunt: Een denkbeeldig punt waar omheen alle massa van een voorwerp gelijk verdeeld is. Het
massamiddelpunt. Als er een netto kracht werkt op een voorwerp, dan veroorzaakt deze
kracht een versnelling.
- Lichaamszwaartepunt is dynamisch: Zwaartepunt is ook wel het balanspunt. Alle massa is
hier gelijk verdeeld. LZP: lichaamszwaartepunt. Dit is niet altijd dezelfde plek. Het lichaam
kan van houding veranderen. Vrouw: 55% van de lengte, lzp lager als bij de man.
Man : 57% van de lengte, lzp hoger als bij de vrouw.
- Voordeel uit positie zwaartepunt: Wanneer je in de lucht ledematen beweegt heeft dit geen invloed
op de baan die je lichaamszwaartepunt af legt. De kracht waarmee je afzet geeft je
lichaamszwaartepunt een versnelling. Deze kracht bepaald hoe hoog je lichaamszwaartepunt gaat
komen. Wanneer je lichaamszwaartepunt laag ligt kan je het hoogste rijken. Bij een fosburyflop is je
lichaamszwaartepunt lager als bij een schotse sprong en dus spring je hier hoger.
- Factoren stabiliteit:
1. Grootte steunvlak
2. Hoogte van lichaamszwaartepunt
3. Afstand van lichaamszwaartepunt tot de rand van steunvlak
4. Lichaamsgewicht
Snelheid en versnelling:
- Eenparige beweging: Constante snelheid