ORDENING EN INVLOED VAN HET SOCIALE
2.1 Sociale structuren en verwachtingen
< socialeordevraag
geordende sociale verhouding : mate van voorspelbaarheid in handelen actoren
: relatief stabiel : “improviseren binnen patronen”
!! achterliggend patroon kwetsbaar : wanorde
< sociale structuur = selectieve inperking handelingsmogelijkheden,
richtingsaanwijzers
o positief / “ongepast”
o ≠ concrete handelingsmogelijkheden
o Regelgerichte visie
< sociale normen = bindende regels naargelang sociale positie
binnen sociale relatie
(specifieke normen per positiebekleder)
= formeel / informeel : juridisch afdwingbaar ? : sancties
= regulering : doen alsof opletten is bewijs
o Probabilistische / verwachtingsvisie
< sociale verwachtingen = vertaling normen inzake het handelen van
positiebekleder
+ werken als voorspeller
< sociale rollen
= ‘grondstof geordend samenleven’
Bij
⟶ samenleving veranderd bij doorbreken
geordende
verwachtingen/normen
sociale
verhouding = destructurering
en vaak holebi-rechten, vrouwelijk emancipatie, aanzien
prof
boven- en
: vanzelfsprekend, quasi automatisch aan rollen
houden
⟶ breaching experiments (ordeverstorende)
2.2 Objectieve en subjectieve ongelijkheid
Sociale ongelijkheid = asymmetrie / hiërarchie tussen sociale posities
= oneven verdeling van sociale privileges
beslissingshiërarchie binnen organisaties
o Objectief = ongelijke verdeling schaarse en algemeen hooggewaardeerde
zaken
- Economisch kapitaal : inkomen
- Onderwijs- : diploma correleren onderling
- Oranisatiegebonden - : macht
⇒ vaststelbare gevolgen : levensstijl (vrije tijd + smaken),
gezondheid, dood …
< socio-economische positie
⟶ sociale / maatschappelijke ladder : mobiliteit -
intragenerationeel
gekoppeld aan beroepen - intergenerationeel
, : sociale verdelingsstrijd ! collectief =
sterker vakbonden
o Subjectief = ongelijke waardering en behandeling sociale actoren
= aanzien ! morele criteria : legitiem + manier gedrag?
⟶ status / prestigeladder
!! status inconsistentie ⇒ statusonzekerheid
behandeld als vrouw/allochtoon of als manager?, nieuwe rijken
< samenhang : meer bezit = meer aanzien
= meerdimensionaal : meerdere criteria bij statustoekenning
o Geld, diploma, macht : rijk worden zonder diploma
o Algemene morele standaarden : ≠ rijke drugsbaron
o Geslachte, etnie : allochtone miljonair
2.3 De hedendaagse klassenmaatschappij
Objectieve sociale gelijkheid : inkomen, diploma en macht nauw verbonden
+ convergeren ook in beroepsposities !!
⟶ sociale stratificatie = opdeling maatschappij in lagen van vergelijkbare
posities
⟶ sociale laag / stratum = groep van sociale posities op ongeveer dezelfde hoogte
binnen obj. Dimensie
- convivium en connubium binnen eigen stratum
⟶ klasse = lagen definiëren adhv professionele posities (beroepen)
Hoe klassen bepalen? Gelijksoortigheid beroepen?
= Verschillen tussen klassen + Overeenkomsten binnen klasse
o inkomen/economisch bezit + scholingsgraad + organisatiegebonden
macht
o !!! dienstverband of zelfstandig ? kapitaal ? zekerheid? …
John Goldthorpe
= indeling volgens gelijke markt- en werksituaties + scholingsgraad (sublagen)
Marktsituatie - bron en hoogte inkomen
- economische zekerheid ( werk en inkomen )
- mogelijkheden tot verbetering
Werksituatie - positie binnen hiërarchische organisatieverbanden
- mate van autonomie
Dienstenklasse (service class) : vreemde benaming om “dominant” te vermijden, maar lijkt
nu meer in
dienst van organisatie dan andere werknemers
I Hoger leidinggevend personeel en ambtenaren, hoog gekwalificeerde vakspecialisten,
managers en eigenaars van grote ondernemingen
II Vakspecialisten, bestuurders en ambtenaren, managers kleinere ondernemingen, hogere
technici, chefs van hoofdarbeiders
Intermediaire klasse (indermediate)
2.1 Sociale structuren en verwachtingen
< socialeordevraag
geordende sociale verhouding : mate van voorspelbaarheid in handelen actoren
: relatief stabiel : “improviseren binnen patronen”
!! achterliggend patroon kwetsbaar : wanorde
< sociale structuur = selectieve inperking handelingsmogelijkheden,
richtingsaanwijzers
o positief / “ongepast”
o ≠ concrete handelingsmogelijkheden
o Regelgerichte visie
< sociale normen = bindende regels naargelang sociale positie
binnen sociale relatie
(specifieke normen per positiebekleder)
= formeel / informeel : juridisch afdwingbaar ? : sancties
= regulering : doen alsof opletten is bewijs
o Probabilistische / verwachtingsvisie
< sociale verwachtingen = vertaling normen inzake het handelen van
positiebekleder
+ werken als voorspeller
< sociale rollen
= ‘grondstof geordend samenleven’
Bij
⟶ samenleving veranderd bij doorbreken
geordende
verwachtingen/normen
sociale
verhouding = destructurering
en vaak holebi-rechten, vrouwelijk emancipatie, aanzien
prof
boven- en
: vanzelfsprekend, quasi automatisch aan rollen
houden
⟶ breaching experiments (ordeverstorende)
2.2 Objectieve en subjectieve ongelijkheid
Sociale ongelijkheid = asymmetrie / hiërarchie tussen sociale posities
= oneven verdeling van sociale privileges
beslissingshiërarchie binnen organisaties
o Objectief = ongelijke verdeling schaarse en algemeen hooggewaardeerde
zaken
- Economisch kapitaal : inkomen
- Onderwijs- : diploma correleren onderling
- Oranisatiegebonden - : macht
⇒ vaststelbare gevolgen : levensstijl (vrije tijd + smaken),
gezondheid, dood …
< socio-economische positie
⟶ sociale / maatschappelijke ladder : mobiliteit -
intragenerationeel
gekoppeld aan beroepen - intergenerationeel
, : sociale verdelingsstrijd ! collectief =
sterker vakbonden
o Subjectief = ongelijke waardering en behandeling sociale actoren
= aanzien ! morele criteria : legitiem + manier gedrag?
⟶ status / prestigeladder
!! status inconsistentie ⇒ statusonzekerheid
behandeld als vrouw/allochtoon of als manager?, nieuwe rijken
< samenhang : meer bezit = meer aanzien
= meerdimensionaal : meerdere criteria bij statustoekenning
o Geld, diploma, macht : rijk worden zonder diploma
o Algemene morele standaarden : ≠ rijke drugsbaron
o Geslachte, etnie : allochtone miljonair
2.3 De hedendaagse klassenmaatschappij
Objectieve sociale gelijkheid : inkomen, diploma en macht nauw verbonden
+ convergeren ook in beroepsposities !!
⟶ sociale stratificatie = opdeling maatschappij in lagen van vergelijkbare
posities
⟶ sociale laag / stratum = groep van sociale posities op ongeveer dezelfde hoogte
binnen obj. Dimensie
- convivium en connubium binnen eigen stratum
⟶ klasse = lagen definiëren adhv professionele posities (beroepen)
Hoe klassen bepalen? Gelijksoortigheid beroepen?
= Verschillen tussen klassen + Overeenkomsten binnen klasse
o inkomen/economisch bezit + scholingsgraad + organisatiegebonden
macht
o !!! dienstverband of zelfstandig ? kapitaal ? zekerheid? …
John Goldthorpe
= indeling volgens gelijke markt- en werksituaties + scholingsgraad (sublagen)
Marktsituatie - bron en hoogte inkomen
- economische zekerheid ( werk en inkomen )
- mogelijkheden tot verbetering
Werksituatie - positie binnen hiërarchische organisatieverbanden
- mate van autonomie
Dienstenklasse (service class) : vreemde benaming om “dominant” te vermijden, maar lijkt
nu meer in
dienst van organisatie dan andere werknemers
I Hoger leidinggevend personeel en ambtenaren, hoog gekwalificeerde vakspecialisten,
managers en eigenaars van grote ondernemingen
II Vakspecialisten, bestuurders en ambtenaren, managers kleinere ondernemingen, hogere
technici, chefs van hoofdarbeiders
Intermediaire klasse (indermediate)