Examen:
16 meerkeuze
4 open vragen
Economie bestudeert het gedrag van mensen. Mensen hebben een budget en willen met dat budget
hun behoeften maximaal bevredigen.
Materiële behoefte: fiets/auto
Immateriële behoefte: behoefte aan transport
Collectieve behoefte: iedereen wil warm hebben in de aula, iedereen wil scholing krijgen, we hebben
behoefte aan beweging.
Individuele behoefte: behoefte aan een bepaalde soort drank bv appelsap
Schaarse middelen
Perenboeren in limburg laten veel oogst aan de bomen hangen omdat ze er een te lage opbrengst
voor krijgen. Er is dus overschot aan de peren.
Stel dat we die peren gratis ter beschikking stellen, dan zullen die peren snel op zijn.
Definitie schaars middel = als je een product gratis te beschikking zou stellen, dan zouden ze snel op
zijn.
Nuttigheid en keuzeprobleem (dia 11)
We gaan kiezen op basis van de beschikbare middelen en het hoeveelheid nut dat het goed zal
opbrengen.
Bv je hebt honger en hebt 10 euro. Sommigen zullen een smos kopen, anderen pasta, sommige
mensen zullen de 10 euro sparen/beleggen.
Die afweging die consumenten make, maken producenten ook.
Zij gaan enkel het nut niet maximaliseren maar wel de winst.
Gezinnen en bedrijven komen elkaar tegen op de markt. (Kan ook niet fysieke plek zijn bv.
Veilingplatform, beurs,…)
Doordat, ze elkaar ontmoeten met elk het doel op maximaliseren van nut en winst, ontstaat er een
prijs.
=> dit is micro-economie.
Soorten goederen
1. Schaarse vs niet-schaarse goederen
De meeste goederen zijn schaars. Er zijn enkele goederen die niet schaars zijn maar die zijn met
weinig bv. Lucht.
2. Individueel vs (quasi-)collectieve goederen
Individuele goederen zijn uitsluitbaar en rivaliserend.
Bv. Fiets
Uitsluitbaar wil zeggen dat ik andere mensen kan uitsluiten van het gebruik van de fiets.
Rivaliserend wil zeggen dat als ik al op die fiets zit, dat niemand anders die nog kan gebruiken.
Collectieve goederen
Bv. vuurwerk dat door stad wordt georganiseerd
Niet uitsluitbaar want iedereen kan het zien.
16 meerkeuze
4 open vragen
Economie bestudeert het gedrag van mensen. Mensen hebben een budget en willen met dat budget
hun behoeften maximaal bevredigen.
Materiële behoefte: fiets/auto
Immateriële behoefte: behoefte aan transport
Collectieve behoefte: iedereen wil warm hebben in de aula, iedereen wil scholing krijgen, we hebben
behoefte aan beweging.
Individuele behoefte: behoefte aan een bepaalde soort drank bv appelsap
Schaarse middelen
Perenboeren in limburg laten veel oogst aan de bomen hangen omdat ze er een te lage opbrengst
voor krijgen. Er is dus overschot aan de peren.
Stel dat we die peren gratis ter beschikking stellen, dan zullen die peren snel op zijn.
Definitie schaars middel = als je een product gratis te beschikking zou stellen, dan zouden ze snel op
zijn.
Nuttigheid en keuzeprobleem (dia 11)
We gaan kiezen op basis van de beschikbare middelen en het hoeveelheid nut dat het goed zal
opbrengen.
Bv je hebt honger en hebt 10 euro. Sommigen zullen een smos kopen, anderen pasta, sommige
mensen zullen de 10 euro sparen/beleggen.
Die afweging die consumenten make, maken producenten ook.
Zij gaan enkel het nut niet maximaliseren maar wel de winst.
Gezinnen en bedrijven komen elkaar tegen op de markt. (Kan ook niet fysieke plek zijn bv.
Veilingplatform, beurs,…)
Doordat, ze elkaar ontmoeten met elk het doel op maximaliseren van nut en winst, ontstaat er een
prijs.
=> dit is micro-economie.
Soorten goederen
1. Schaarse vs niet-schaarse goederen
De meeste goederen zijn schaars. Er zijn enkele goederen die niet schaars zijn maar die zijn met
weinig bv. Lucht.
2. Individueel vs (quasi-)collectieve goederen
Individuele goederen zijn uitsluitbaar en rivaliserend.
Bv. Fiets
Uitsluitbaar wil zeggen dat ik andere mensen kan uitsluiten van het gebruik van de fiets.
Rivaliserend wil zeggen dat als ik al op die fiets zit, dat niemand anders die nog kan gebruiken.
Collectieve goederen
Bv. vuurwerk dat door stad wordt georganiseerd
Niet uitsluitbaar want iedereen kan het zien.