Written by students who passed Immediately available after payment Read online or as PDF Wrong document? Swap it for free 4.6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Preview 3 out of 10 pages
Other

Arbeids- en Organisatiepsychologie begrippenlijst H1 t/m H8 H10

Document preview thumbnail
Preview 3 out of 10 pages

Een handige lijst van alle begrippen van H1 t/m H8 H10. Door deze begrippen door te nemen ben je veel beter voorbereid voor je tentamen. Je hoeft niet meer in het boek te zoeken welke betekenis een begrip heeft, want dat heb ik al voor je gedaan. Dat scheelt je heel veel tijd, niet waar? Veel succes!

Content preview

Arbeids- en Organisatiepsychologie Begrippenlijst H1 t/m H8 + H10


Hoofdstuk 1.
_____________________________________________________________________________
1. Motivatie: beweegredenen die je kunnen aanzetten tot bepaald gedrag
2. Behoeften: Innerlijke krachten (Zoals driften) die je kunnen aanzetten tot
gedrag
3. Deficiëntiebehoeften: behoeften die voortkomen uit een tekort
4. Frustratieregressiehypothese: Hoe meer de bevrediging van hogere
behoeften wordt gefrustreerd, des te belangrijker de behoeften op lager
niveau worden
5. Behoefteprofiel: beeld van de sterkte van behoeften bij een persoon
6. Trial and error: een proces van gissen en missen
7. Wet van het effect: Gedrag dat wordt gevolgd door het gewenste effect,
zal een volgende keer eerder worden vertoond dan gedrag dat niet wordt
gevolgd door het gewenste effect
8. Positieve bekrachtiging: gewenst effect dat ervoor zorgt dat bepaald
gedrag wordt herhaald
9. Negatieve bekrachtiging: ongewenst effect dat ervoor zorgt dat gedrag
niet wordt herhaald
10. Verwachtingstheorie: mensen zijn geneigd zich in te spannen als
ze verwachten dat hun inspanning aantrekkelijke opbrengsten met zich
meebrengt
11. Attributietheorie: deze theorie beschrijft hoe mensen de oorzaken
van hun eigen gedrag en dat van anderen proberen te achterhalen
12. Interne attributie: oorzaken van het eigen slagen en falen worden
toegeschreven aan de eigen inspanningen en mogelijkheden
13. Externe attributie: oorzaken van het eigen slagen en falen worden
toegeschreven aan de omstandigheden
14. Zelfbeeld: de eigenschappen die mensen aan zichzelf toekennen
15. Zelfverdienende vertekening: neiging van mensen om positieve
zaken eerder aan zichzelf toe te schrijven en negatieve zaken eerder aan
de omstandigheden
16. Fundamentele attributiefout: neiging van mensen om de
oorzaken van het gedrag van andere mensen eerder toe te schrijven aan
hun kenmerken dan aan hun omstandigheden
17. Intrinsieke motivatie: motivatie om een handeling uit te voeren,
omdat die handeling leuk is om te doen, of omdat die handeling uitdaagt
om te laten zien wat je kunt
18. Extrinsieke motivatie: motivatie om een handeling uit te voeren,
omdat daarna een aantrekkelijke beloning volgt
19. Persoonlijkheid: patroon van karakteristieke gedachten, gevoelens
en gedragingen waarmee een persoon zich onderscheidt van anderen en
dat relatief stabiel blijft in de tijd en in verschillende situaties
20. Attitude: houding t.a.v. andere mensen, gedragingen, objecten of
ideeën
21. Cognitieve dissonantie: voelen van onaangename spanning
omdat er tegenstrijdigheden worden ervaren tussen feiten en attitude(s) of
tussen attitude(s) en gedrag
22. Betrokkenheid: aard van de binding tussen een persoon en een
organisatie
23. Arbeidssatisfactie: mate waarin iemand werk als plezierig ervaart
24. Billijkheid: mate waarin een persoon de verhouding tussen zijn
inspanningen en de opbrengsten die daaruit worden verkregen, als billijk
(rechtvaardig) ervaart

,Arbeids- en Organisatiepsychologie Begrippenlijst H1 t/m H8 + H10


25. Algemeen vergelijkingsniveau: norm over billijkheid die tot stand
komt door vergelijking met anderen
26. Vergelijkingsniveau met alternatieven: norm over billijkheid die
tot stand komt door vergelijking van de eigen kostenbatenverhouding met
die van beschikbare alternatieven




Hoofdstuk 2.
________________________________________________________________
_
1. Gestructureerd interview: interview waarin de gestelde vragen van
tevoren vaststaan
2. Assessment- centermethode: testmethode waarbij het werkelijke
functioneren van een kandidaat wordt beoordeeld in verschillende
oefensituaties
3. Validiteit: mate waarin met een selectiemethode kan worden voorspeld of
een kandidaat geschikt is voor een bepaalde functie
4. Employability: mate waarin een medewerker mobiel is en kan worden
ingezet op verschillende plekken en voor verschillende activiteiten
5. Congruentie: overeenstemming tussen een persoon en een organisatie
6. Socialisatie: proces van aanpassing van de persoon aan de heersende
waarden en normen in de organisatie
7. Anticiperende socialisatie: van tevoren aanpassen aan een situatie de
nog moet komen
8. Mentorsysteem: systeem waarbij mentoren nieuwe medewerkers
inwerken
9. Identificatiemodellen: mensen die voor iemand een voorbeeld zijn om
na te volgen
10. Prestatiebeloning: volledige of gedeeltelijke koppeling van de
hoogte van een prestatie aan de hoogte van een beloning, afhankelijk van
de eigen prestatie of van die van de hele groep waarvan men deel
uitmaakt
11. Cafetariasysteem: systeem waarin medewerkers kunnen kiezen
uit verschillende vormen van prestatiebeloning, al naar gelang hun
behoeften
12. Exitgesprek: gesprek met iemand die de organisatie gaat verlaten
d=om te achterhalen welke motieven daarbij een rol hebben gespeeld

Hoofdstuk 3.
________________________________________________________________
_
1. Rolonduidelijkheid: onduidelijkheid over de rol die een persoon moet
vervullen
2. Rolconflict: tegenstrijdige eisen aan of verwachtingen over te vervullen
rol
3. Rolanalysetechniek: methode om rollen te verduidelijken en rolconflicten
op te heffen

, Arbeids- en Organisatiepsychologie Begrippenlijst H1 t/m H8 + H10


4. Groep: twee of meer mensen die regelmatig en zonder tussenkomst van
anderen met elkaar omgaan, gemeenschappelijke doelen hebben, voor het
bereiken van die doelen van elkaar afhankelijk zijn en het gevoel hebben
een groep te zijn
5. Bestuurlijke groep: groep waarin de overleg en besluitvorming wordt
bepaald hoe een organisatie moet functioneren
6. Uitvoerende groep: groep waarin uitvoerende werkzaamheden worden
verricht
7. Zelfsturend team: groep met zowel uitvoerende als plannende en
controlerende taken
8. Formele groep: groep die een vast onderdeel is van de organisatie
9. Informele groep: groep die geen vast onderdeel is van de organisatie
10. Evolutionaire verklaring: mensen leven in groepen omdat die hen
bescherming bieden tegen onveilige situaties
11. Psychologische verklaring: mensen maken deel uit van een groep
omdat ze behoefte hebben aan contact met andere mensen en ergens bij
willen horen
12. Cognitieve verklaring: mensen maken deel uit van een groep
omdat ze met elkaar meer kunnen bereiken
13. Sociale identiteit: gedeelte van identiteit die iemand ontleent aan
zijn sociale omgeving
14. Conformeren: aanpassen aan de gedragingen en opvattingen van
anderen
15. Deviantie: afwijken van de opvattingen en gedragingen van
anderen
16. Dubbelinteractie: kleinste interactie-eenheid waarmee mensen
hun samenwerking regelen
17. Groepsstructuur: relatief stabiel patroon van relaties en
gedragingen van een groep
18. Rol: specifieke bijdragen die van iemand worden verwacht
19. Rolonduidelijkheid: onduidelijkheid over de rol die een persoon
moet vervullen
20. Rolconflict: tegenstrijdige eisen aan of verwachtingen over te
vervullen rol
21. Taakgerichte rol: bijdragen die nodig zijn om de groepsleden
doelmatig met elkaar te laten samenwerken aan een groepstaak
22. Groepsgerichte rol: bijdragen die nodig zijn om de sfeer in de
groep goed te houden
23. Zelfgerichte rol: bijdragen gericht op het eigenbelang en het
frustreren van groepsbelang
24. Sociometrische methode: methode om vast te stellen wie graag
met wie omgaat
25. Sociogram: grafische weergave van de affectieve relaties in een
groep
26. Cohesie: mate waarin de groepsleden zich tot elkaar aangetrokken
voelen en graag bij de groep willen blijven
27. Groepsnormen: informele regels die het gedrag van de
groepsleden bepalen
28. Wij/zij – differentiatie: proces waarin men de leden van de eigen
groep positiever gaat beoordelen dan de leden van andere groepen,
waardoor vooroordeel en stereotypering ontstaan
29. Sociale identiteitstheorie: opvatting dat mensen een deel van
hun identiteit ontlenen aan de groepen waarvan ze deel uitmaken
30. Negatieve spiraal: proces waardoor conflicten worden versterkt

Document information

Study
Uploaded on
March 25, 2016
Number of pages
10
Written in
2015/2016
Type
Other
Person
Unknown
$4.15

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Niszey
4.0
(1)
Sold
7
Followers
4
Items
5
Last sold
8 year ago


Reviews from verified buyers



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions