3 Farmacokinetiek
Wat doet het lichaan met het GM?
9 Hoe het opneemt, omzet en uitscheidt
GM hebben daardoor meestal een niet onmiddellijk effect
Het legt uit waarom sommige GM direct in het bloedbaan toegedient moet worden
9 Andere via de mond (tablet/vloeibare vorm)
Legt uit waarom sommige 1 X per dag andere meerder keren per dag
Tijdens de ontwikkeling veel aandacht aan de farmacokinetiek
Voor een goede werking moet een bepaalde tijd in het lichaam blijven
9 Ook niet langer dan nodig
Ziekte en leeftijd speken een grote invloed op het metabolisme van GM
3.1 ADME
Absorptie, Distributie, Metabolisme en Excretie
3.1.1 Absorptie
GM moet in het bloed worden opgenomen = absoptie
Kan langs verschillende toedingsvormen gebeurden
9 Parentale toediening
9 Orale toediening
o Passief transport
o Actief transport
9 Lokale, enterale toediening
3.1.1.1 Parentale toediening
Rechtstreeks in bloedbaan (IV) er is geen absorptiestap nodig
Indien:
9 GM niet bestand is tegen maagzuur of spijsvertegingsenzymen (insuline)
9 GM snel werkzaam moet zijn
9 Hoeveelheid GM gecontroleerd moet worden (morfine)
3.1.1.2 Orale toediening
Absorptie vanuit maag – darmkanaal (vooral in dunne darm)
9 Absorptie oppervlak van de maag is veel kleiner en duur is korter
GM moet verschillende membranen passeren voor het de circulatie bereikt
Passief transport
Filtratie
Passieve diffusie
Gefaciliteerde diffusie (complexvorming)
Filtratie
Belangrijk in glomerulaire membraan en capillaire vaten
Water met opgeloste stoffen wordt door drukverschil door de poriën
getransporteerd
9 Poriën in de celwand of tussen de cellen
, Passieve diffusie
GM diffundeerd door (oplossen in) membraan oiv concentratiegradiënt
9 Beweegt van plaats met hoge concentratie plaats met lage concentratie
(darm bloed)
Diffusiesnelheid wordt bepaald door:
9 Concentratiegradiënt
9 Eigenschappen membraan (dikte/opp.)
9 Eigenschappen GM (hydrofiel/lipofiel)
Lipofiele stoffen passeren gemakkelijk de lipide membraan, hydrofiele niet
9 Enkel niet–geïoniseerde deel van GM kan diffunderen doorheen membraan
( lipofiel)
Absorptie van zwakke zuren en basen
9 Afhankelijk van pH en pKa: al dan niet geïoniseerd
9 Niet geïoniseerd: tamelijk lipofiel gemakkelijkere absorptie)
Henderson – Hasselbalch vergelijking:
Voor zuren: pH = pKa + log ( geïoniseerd
niet−geïoniseerd )
Voor basen: pOH = pKb + log ( geïoniseerd
niet−geïoniseerd )
pH = pKa + log
(
niet−geïoniseerd
geïoniseerd )
pH speelt een belangrijke rol in de opname van het GM
Lage pH (maag)
9 Zwakke zuren weinig geïoniseerd lipofiel absorptie
(hoe zwakker, hoe minder, hoe gemakkelijker)
9 Zwakke basen sterk geïoniseerd moeilijke absorptie
pH = 7,4 (bloed – hersenbarrière)
9 zwakke zuren en basen geïoniseerd moeilijk opgenomen door BH–barrière
Hoge pH
9 Zwakke zuren sterk geïoniseerd moeilijke resorptie dooe lipide membraan
(gemakkelijke eliminatie (urine))
9 Zwakke basen weinig geïoniseerd gemakkelijke resorptie door lipide
membraan
Alkaliniseren van de urine verhinderen van tubulaire reabsorptie van zuren
9 Bij intoxicaties met zure GM
Complexvorming (gefaciliteerde diffusie)
Vorming van complex tussen weinig liposolubel product en component membraan
(carrier)
Vorming liposolubel complex
Diffussie door het membraan
Carrier laat het GM los aan andere zijde van de membraan
Actief transport
Energie nodig (ATP) waardoor transport tegen concentratiegradiënt mogelijk is
Wat doet het lichaan met het GM?
9 Hoe het opneemt, omzet en uitscheidt
GM hebben daardoor meestal een niet onmiddellijk effect
Het legt uit waarom sommige GM direct in het bloedbaan toegedient moet worden
9 Andere via de mond (tablet/vloeibare vorm)
Legt uit waarom sommige 1 X per dag andere meerder keren per dag
Tijdens de ontwikkeling veel aandacht aan de farmacokinetiek
Voor een goede werking moet een bepaalde tijd in het lichaam blijven
9 Ook niet langer dan nodig
Ziekte en leeftijd speken een grote invloed op het metabolisme van GM
3.1 ADME
Absorptie, Distributie, Metabolisme en Excretie
3.1.1 Absorptie
GM moet in het bloed worden opgenomen = absoptie
Kan langs verschillende toedingsvormen gebeurden
9 Parentale toediening
9 Orale toediening
o Passief transport
o Actief transport
9 Lokale, enterale toediening
3.1.1.1 Parentale toediening
Rechtstreeks in bloedbaan (IV) er is geen absorptiestap nodig
Indien:
9 GM niet bestand is tegen maagzuur of spijsvertegingsenzymen (insuline)
9 GM snel werkzaam moet zijn
9 Hoeveelheid GM gecontroleerd moet worden (morfine)
3.1.1.2 Orale toediening
Absorptie vanuit maag – darmkanaal (vooral in dunne darm)
9 Absorptie oppervlak van de maag is veel kleiner en duur is korter
GM moet verschillende membranen passeren voor het de circulatie bereikt
Passief transport
Filtratie
Passieve diffusie
Gefaciliteerde diffusie (complexvorming)
Filtratie
Belangrijk in glomerulaire membraan en capillaire vaten
Water met opgeloste stoffen wordt door drukverschil door de poriën
getransporteerd
9 Poriën in de celwand of tussen de cellen
, Passieve diffusie
GM diffundeerd door (oplossen in) membraan oiv concentratiegradiënt
9 Beweegt van plaats met hoge concentratie plaats met lage concentratie
(darm bloed)
Diffusiesnelheid wordt bepaald door:
9 Concentratiegradiënt
9 Eigenschappen membraan (dikte/opp.)
9 Eigenschappen GM (hydrofiel/lipofiel)
Lipofiele stoffen passeren gemakkelijk de lipide membraan, hydrofiele niet
9 Enkel niet–geïoniseerde deel van GM kan diffunderen doorheen membraan
( lipofiel)
Absorptie van zwakke zuren en basen
9 Afhankelijk van pH en pKa: al dan niet geïoniseerd
9 Niet geïoniseerd: tamelijk lipofiel gemakkelijkere absorptie)
Henderson – Hasselbalch vergelijking:
Voor zuren: pH = pKa + log ( geïoniseerd
niet−geïoniseerd )
Voor basen: pOH = pKb + log ( geïoniseerd
niet−geïoniseerd )
pH = pKa + log
(
niet−geïoniseerd
geïoniseerd )
pH speelt een belangrijke rol in de opname van het GM
Lage pH (maag)
9 Zwakke zuren weinig geïoniseerd lipofiel absorptie
(hoe zwakker, hoe minder, hoe gemakkelijker)
9 Zwakke basen sterk geïoniseerd moeilijke absorptie
pH = 7,4 (bloed – hersenbarrière)
9 zwakke zuren en basen geïoniseerd moeilijk opgenomen door BH–barrière
Hoge pH
9 Zwakke zuren sterk geïoniseerd moeilijke resorptie dooe lipide membraan
(gemakkelijke eliminatie (urine))
9 Zwakke basen weinig geïoniseerd gemakkelijke resorptie door lipide
membraan
Alkaliniseren van de urine verhinderen van tubulaire reabsorptie van zuren
9 Bij intoxicaties met zure GM
Complexvorming (gefaciliteerde diffusie)
Vorming van complex tussen weinig liposolubel product en component membraan
(carrier)
Vorming liposolubel complex
Diffussie door het membraan
Carrier laat het GM los aan andere zijde van de membraan
Actief transport
Energie nodig (ATP) waardoor transport tegen concentratiegradiënt mogelijk is