Willem Elsschot - Het Huwelijk - 1910
1) Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd (a) (E)
2) in d’oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven, (b) (E)
3) haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven (b)
4) toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt. (a)
5) Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard (c) (E)
6) en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren, (d) (E)
7) hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren (d) (E)
8) en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard. (c)
9) Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond (e) (E)
10)het merg uit haar gebeente, dat haar tòch bleef dragen. (f)
11)Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen, (f) (E)
12)en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond. (e)
13)Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand. (g)
14)Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen (h) (E)
15)en rennen door het vuur en door het water plassen (h) (E)
16)tot bij een ander lief in enig ander land. (g)
17)Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad (i) (E)
18)staan wetten in den weg en praktische bezwaren, (j) (E)
19)en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, (j) (E)
20)en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. (i)
21)Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot (k) (E)
22)en zagen dat de man dien zij hun vader heetten, (l) (E)
23)bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten, (l) (E)
24)een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood. (k)
Alliteratie/beginrijm
Assonantie/klinkerrijm
Enjambement (E)
Inversie
Repetitio
Enumeratie
Hyperbool
Antithese
1) Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd (a) (E)
2) in d’oogen van zijn vrouw de vonken uit kwam dooven, (b) (E)
3) haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven (b)
4) toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt. (a)
5) Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard (c) (E)
6) en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeeren, (d) (E)
7) hij zag de grootsche zonde in duivelsplicht verkeeren (d) (E)
8) en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard. (c)
9) Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond (e) (E)
10)het merg uit haar gebeente, dat haar tòch bleef dragen. (f)
11)Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen, (f) (E)
12)en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond. (e)
13)Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand. (g)
14)Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wasschen (h) (E)
15)en rennen door het vuur en door het water plassen (h) (E)
16)tot bij een ander lief in enig ander land. (g)
17)Maar doodslaan deed hij niet, want tusschen droom en daad (i) (E)
18)staan wetten in den weg en praktische bezwaren, (j) (E)
19)en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren, (j) (E)
20)en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat. (i)
21)Zoo gingen jaren heen. De kindren werden groot (k) (E)
22)en zagen dat de man dien zij hun vader heetten, (l) (E)
23)bewegingsloos en zwijgend bij het vuur gezeten, (l) (E)
24)een godvergeten en vervaarlijke’ aanblik bood. (k)
Alliteratie/beginrijm
Assonantie/klinkerrijm
Enjambement (E)
Inversie
Repetitio
Enumeratie
Hyperbool
Antithese