NEDERLANDS LEESTOETS Inleiding
VWO 5 1. De aandacht van de lezer trekken
------------------------------------------------------- De actualiteit
De geschiedenis
Schrijfdoelen Een voorbeeld/anekdote
1. Amuseren Het aangeven van het belang voor de lezer
2. Informeren (uiteenzetting) 2. Het onderwerp van de tekst introduceren
3. Opiniëren (beschouwing) Eén of meerdere vragen stellen
4. Overtuigen (betoog) De opbouw van de tekst aankondigen
5. Activeren Een mening (standpunt) te verkondigen
Een probleem te formuleren
Slot
1. Samenvatting
Tekstverbanden (met signaalwoorden)
2. Aanbeveling
1. Opsommend verband: ook, tevens, bovendien
3. Aansporing
2. Tegenstellend verband: maar, echter, niettemin
4. Afweging
3. Chronologisch verband: eerst, dan, daarna
5. Toekomstverwachting
4. Oorzakelijk verband (oorzaak-gevolg): doordat, daardoor, zodat
5. Toelichtend verband (voorbeeld): zo, bijvoorbeeld, zoals
Tekststructuren 6. Voorwaardelijk verband: als, indien, wanneer
1. Argumentatiestructuur 7. Vergelijkend verband: zoals, net (zo)… als, evenals
2. Aspectenstructuur 8. Redengevend verband (argument): daarom, omdat, want
3. Probleem/oplossingstructuur 9. Doel-middelverband: om te…, opdat, waardoor
4. Verklaringsstructuur 10. Toegevend verband: ook al, weliswaar, hoewel
5. Verleden/heden(/toekomst)- 11. Samenvattend verband: kortom, samengevat, al met al
structuur 12. Concluderend verband: dus, daarom, dat houdt in
6. Voor- en nadelenstructuur
7. Vraag/antwoordstructuur Argumentatiestructuren
1. Enkelvoudige argumentatie:
Argumenten Er wordt maar één argument gegeven bij een standpunt.
Er is argumentatie op basis van… 2. Meervoudige argumentatie:
1. Feiten Bij een standpunt worden twee of meer argumenten die los van elkaar
2. Onderzoek of wetenschap staan gegeven.
3. Normen en waarden 3. Nevenschikkende argumentatie:
4. Vermoedens Twee argumenten worden samen gebruikt om een standpunt te
5. Geloof of overtuiging ondersteunen, los van elkaar hebben ze geen kracht.
6. Gezag of autoriteit 4. Onderschikkende argumentatie:
7. Nut Een gebruikt argument wordt door een ander argument ondersteund.
Drogredenen
1. Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie:
Er wordt een oorzaak-gevolgrelatie gelegd tussen twee zaken die ongeveer tegelijkertijd gebeuren, terwijl die relatie
er niet is.
2. Verkeerde vergelijking:
Twee dingen worden met elkaar vergeleken en van die vergelijking kun je je afvragen of die wel terecht is.
3. Overhaaste generalisatie:
Op basis van één of enkele gevallen wordt er een conclusie getrokken voor een hele grote groep of zelfs voor alle
gevallen.
4. Cirkelredenering:
Het standpunt wordt ondersteund door het herhalen van datzelfde standpunt, maar dan anders geformuleerd.
5. Persoonlijke aanval:
De persoon wordt aangevallen, niet zijn standpunt.
6. Ontduiken van de bewijslast:
Iemand beweert iets om vervolgens van de andere partij ‘bewijs’ voor het tegendeel te vragen.
7. Vertekenen van het standpunt:
Er worden bij de andere partij woorden in de mond gelegd.
8. Bespelen van het publiek:
Iemand formuleert zijn standpunt zo dat het moeilijker wordt om ertegen in te gaan. Zo probeert iemand een
afwijkende mening te voorkomen.
9. Onjuist beroep op autoriteit:
Het standpunt wordt ondersteund door zich te beroepen op een onbetrouwbare autoriteit, omdat hij belangen heeft
bij de zaak, of omdat hij geen autoriteit is op het betreffende gebied.
VWO 5 1. De aandacht van de lezer trekken
------------------------------------------------------- De actualiteit
De geschiedenis
Schrijfdoelen Een voorbeeld/anekdote
1. Amuseren Het aangeven van het belang voor de lezer
2. Informeren (uiteenzetting) 2. Het onderwerp van de tekst introduceren
3. Opiniëren (beschouwing) Eén of meerdere vragen stellen
4. Overtuigen (betoog) De opbouw van de tekst aankondigen
5. Activeren Een mening (standpunt) te verkondigen
Een probleem te formuleren
Slot
1. Samenvatting
Tekstverbanden (met signaalwoorden)
2. Aanbeveling
1. Opsommend verband: ook, tevens, bovendien
3. Aansporing
2. Tegenstellend verband: maar, echter, niettemin
4. Afweging
3. Chronologisch verband: eerst, dan, daarna
5. Toekomstverwachting
4. Oorzakelijk verband (oorzaak-gevolg): doordat, daardoor, zodat
5. Toelichtend verband (voorbeeld): zo, bijvoorbeeld, zoals
Tekststructuren 6. Voorwaardelijk verband: als, indien, wanneer
1. Argumentatiestructuur 7. Vergelijkend verband: zoals, net (zo)… als, evenals
2. Aspectenstructuur 8. Redengevend verband (argument): daarom, omdat, want
3. Probleem/oplossingstructuur 9. Doel-middelverband: om te…, opdat, waardoor
4. Verklaringsstructuur 10. Toegevend verband: ook al, weliswaar, hoewel
5. Verleden/heden(/toekomst)- 11. Samenvattend verband: kortom, samengevat, al met al
structuur 12. Concluderend verband: dus, daarom, dat houdt in
6. Voor- en nadelenstructuur
7. Vraag/antwoordstructuur Argumentatiestructuren
1. Enkelvoudige argumentatie:
Argumenten Er wordt maar één argument gegeven bij een standpunt.
Er is argumentatie op basis van… 2. Meervoudige argumentatie:
1. Feiten Bij een standpunt worden twee of meer argumenten die los van elkaar
2. Onderzoek of wetenschap staan gegeven.
3. Normen en waarden 3. Nevenschikkende argumentatie:
4. Vermoedens Twee argumenten worden samen gebruikt om een standpunt te
5. Geloof of overtuiging ondersteunen, los van elkaar hebben ze geen kracht.
6. Gezag of autoriteit 4. Onderschikkende argumentatie:
7. Nut Een gebruikt argument wordt door een ander argument ondersteund.
Drogredenen
1. Onjuiste oorzaak-gevolgrelatie:
Er wordt een oorzaak-gevolgrelatie gelegd tussen twee zaken die ongeveer tegelijkertijd gebeuren, terwijl die relatie
er niet is.
2. Verkeerde vergelijking:
Twee dingen worden met elkaar vergeleken en van die vergelijking kun je je afvragen of die wel terecht is.
3. Overhaaste generalisatie:
Op basis van één of enkele gevallen wordt er een conclusie getrokken voor een hele grote groep of zelfs voor alle
gevallen.
4. Cirkelredenering:
Het standpunt wordt ondersteund door het herhalen van datzelfde standpunt, maar dan anders geformuleerd.
5. Persoonlijke aanval:
De persoon wordt aangevallen, niet zijn standpunt.
6. Ontduiken van de bewijslast:
Iemand beweert iets om vervolgens van de andere partij ‘bewijs’ voor het tegendeel te vragen.
7. Vertekenen van het standpunt:
Er worden bij de andere partij woorden in de mond gelegd.
8. Bespelen van het publiek:
Iemand formuleert zijn standpunt zo dat het moeilijker wordt om ertegen in te gaan. Zo probeert iemand een
afwijkende mening te voorkomen.
9. Onjuist beroep op autoriteit:
Het standpunt wordt ondersteund door zich te beroepen op een onbetrouwbare autoriteit, omdat hij belangen heeft
bij de zaak, of omdat hij geen autoriteit is op het betreffende gebied.